Colloquium Folklore Academie 1997-1998
Het project Colloquium van de folklore Academie bestaat uit twee luiken.
Het eerste is de publicatie van een boekje waarin de specificiteit van onze VUB-folklore uit de doeken wordt gedaan.
Het tweede luik bestaat erin om op geregelde tijdstippen een soort discussie-avond in te richten waarbij alle gëinteresseerden hun menig omtrent een specifiek thema betreffende de studentenfolkore aan bod kunnen laten komen.
Op basis van de diverse colloquia hoopt de folklore Academie mede de inhoudelijke aspecten van de folklore en studentikoziteit meer aan bod te laten komen en aan te tonen dat deze laatste aan een permanente evolutie onderhevig is.
De VUB studentenfolklore leeft!
De studentenfolklore aan de VUB : Mythe of realiteit ?
Inleiding
Het doel van dit boekje is allerminst een exhaustieve en allesomvattende studie van de Brusselse studentenfolklore te bieden. De auteurs ervan beschouwen zich allerminst bevoegd noch geroepen om de studentikoze gemeenschap een ‘bijbel' van de studentenfolklore aan te bieden.
Studentenfolklore is en blijft een levend iets en dat betekent bijgevolg dat het niet kan herleid worden tot een saaie historiek of opsomming van regeltjes.
Wat wij hier wèl hebben betracht is de jonge generaties folkloristen onder ons mee te laten genieten van de ervaring en de kennis van de anciens.
Meer bepaald is het idee om dit boekje, zeg maar informatiebrochure , op te stellen naar aanleiding van de vaststelling dat er maar al te vaak wordt geschermd met ideeën en concepten die men men slechts ten dele of zelfs helemaal niet begrijpt. Het roepen van ‘Vive le geus' heeft slechts nut voor zover men enig idee heeft van wat de geuzenvlag historisch en ideologisch dekt. Anders betrteft het hier slechts een obligate kreet, een soort typische franje, zonder diepere inhoud noch betekenis voor degene die het gebruikt.
Een tweede motivering bij de opstelling van dit boekje was de vaststelling dat de brusselse studentenfolklore aan de Vrije Universiteit Brussel een aantal specifieke kenmerken bevat t.a.v. bij voorbeeld de studentikoziteit in Leuven of Gent. Het leek ons dan ook nuttig, mede ter stimmulering van verder onderzoek, even deze bijzondere karakteristieken aan te kaarten.
Wij hebben dit boekje dan ook samengesteld in functie van datgene wat de meest courante en voor de hand liggende vragen zouden kunnen zijn die een kersvers student aan de VUB zich zou kunnen stellen. Het spreekt vanzelf dat veel van de hier geboden informatie misschien evident zal overkomen voor doorgewinterde anciens, doch wij menen dat ook zij die hier reeds een jaren cantussen en dopen afschuimen nog veel informatie uit ons epistel zullen putten.
Tot slot wijzen wij erop dat dit boekje eerder als een stimmulans voor het zelf blijven uitdiepen van deze rijke folkloristische voedingsbodem moet worden beschouwd eerder dan als het sluitstuk van de overwegingen van een aantal zelfingenomen oude zakken...
Peter Sleypen
Consul Primus 97-98
Eric Aerden
Colloquium verantwoordelijke Folklore Academie
Semper Fraternitas
Vive Le Geus!
Specificiteit van de Brusselse studenten-folklore
Zoals wij hierboven reeds stelden zullen we doorheen dit boekje voornamelijk de eigen kenmerken van de VUB-studentenfolklore belichten. Dit kan uiteraard slechts binnen een vergelijkend kader, m.n. vanuit de vraag naar hetgeen bij ons gangbaar is en elders ( lees in de andere studentengemeenschappen ) verschillend is of zelfs onbestaand.
Verschillende aspecten zullen hierbij worden belicht.
Eén van de meest opvallende aspecten, althans op inhoudelijk vlak, is het hanteren van de geuzensymboliek . Anno 1999 is het voor velen, niet in het minst de jongere generaties, allerminst duidelijk waarom studenten die de vrijzinnigheid en het vrij onderzoek hoog in het vaandel dragen refereren naar een periode uit de geschiedenis der Nederlanden waarin katholieken en protestanten een bittere oorlog tegen elkaar voerden. Wij zullen hierna pogen, in een notedop, te schetsen waarom en hoe band tussen de vrijzinnigheid in België, meer specifiek in Vlaanderen, en de Geuzenstrijd in de loop van de Tweede helft van de 19e eeuw tot stand kwam.
over de geuzensymboliek zie o.m. :
Geuzen en geuzenliederen in Le Journal de St -verhaegen, 1998, p. 2
Studentikoze atributen van de Brusselse studenten-Folklore
De studentenklak (la ‘penne' )
De klak mag slechts gedragen worden door studenten die facultair gedoopt zijn. De kleuren ervan worden bepaald door de studierichting waarbij de student is ingeschreven en dus niet door de kring waarbij hij of zij gedoopt is.
De klak is wit met een gekleurde rand (naar-gelang de studierichting), behalve voor de Toegepaste wetenschappen (Polytechnische Kring), waar ze volledig zwart is. Ze heeft een lange of korte klep, naargelang de voorkeur van de drager. Bovenop staan de letters VUB in een driehoek, vooraan het embleem van de VUB. Het embleem van de kring (caducé) wordt achteraan op de klak aangebracht, de letterafkorting van de kring wordt links aangebracht. Voor de studenten die zich ook regionaal hebben laten dopen wordt de letter-afkorting rechts aangebracht (rechts als men de klak met de klep naar voor draagt).
De gekleurde rand hangt af van de studierichting, ziehier de mogelijkheden:
Zwart: Toegepaste wetenschappen en Kriminologie
Rood: Geneeskunde, tandheelkunde en lichammelijke opvoeding en kine
Groen: Pharmacie en biotechnologie
Bordeaux: rechten
Purper: Wetenschappen
Oranje: Handelsingenieurs
Blauw: Psychologie agogiek en pedagogiek
Grijs: Letteren en wijsbegeerte
Geel: Economische, politieke en sociale wetenschappen
Vooraan op de rand worden een aantal sterren overeenkomstig het aantal aanakademiejaren aangebracht, behalve voor de toegepaste wetenschappen waar zeskanten (boulons) worden gebruikt ipv. sterren.
In geen geval worden meer sterren of boulons gedragen dan het aantal akademiejaren.
Voor elk gewoon jaar wordt een gouden ster gedragen, voor elk gedubbeld jaar een zilveren; behalve voor de Toegepaste Wetenschappen waar een zilveren boulon voor een gewoon jaar en een gouden voor een gedubbeld jaar worden gedragen.
Sterren of boulons woreden van links naar rechts aangebracht zodat men iemands studieverloop eenvoudig kan aflezen.
Indien men van studierichting verandert, dan wordt de oorspronkelijke rand vervangen door een rand vervangen door een rand in de kleur van de de nieuwe studierichting. Tevens worden de oude sterren op een achtergrond van de oude kleur op de rechter-zijkant van de klakrand geplaatst.
De sterren van de nieuwe studierichting worden nu vooraan in het midden geplaatst.
Dit is niet nodig indien men die eerste studies beïndigd heeft en zich bijvoorbeeld voor een bijzondere licentie inschrijft. In een dergelijk geval wordt het embleem (caducé) van de vroegere studierichting achter de oude sterren geplaatst en de niuewe sterren daarnaast op een achtergrond van de nieuwe kring. De oorspronklelijke randkleur wordt daarbij behouden.
Indien men de twee volledige studierichtingen afwerkt wordt de klakrand gehalveerd in de twee kleuren van beide studierichtingen.
De kleur van de nieuwe ster of boulon (goud of zolver) heeft betrekking op de resultaten van het voorbije jaar. Indien iemand na een nietgeslaagd jaar begint in een andere studierichting brengt hij een zilveren ster aan.
Na het afstuderen in een richting plaats men het fakulteitsembleem na de laatste ster. Dit om onderscheid te maken tussen een afgestudeerde en een laatstejaars.
Voor het volgen van extra kursussen zoals taalkursusen bvb. of het volgen van een voorbereidend jaar worden geen extra sterren of boulons geplaatst. Men mag nooit meer sterren of boulons hebben dan het aantal studiejaren, tenzij het gaat om een tweede, bijkomende, volledige inschrijving.
In dit geval worden deze sterren of boulons achteraan op de rand aangebracht, op een achtergrond van de faculteit van de tweede inschrijving. Indien men in een dergelijk geval geen examens aflegt moet de ster het volgende jaar opnieuw verwijderd worden.
De fakulteitsklak wordt eveneens gedoopt en dit volgens de tradities van de kring. Ten teken hiervan wordt in het midden van de voering een gaatje gebrand. Diegene die de klak doopt moet wel tot het bestuur van de kring behoren of (pro)senior van desbetreffende kring.
Historische achtergrond:
De geschiedenis van onze klaken gaat terug tot 1878 wanneer we in een tekst van Pol De Mont referenties vinden over “blauwe klakken” en “'t gouden borduursel zijner klak”. Deze petten verschillen van model niet zoveel van onze klakken. Ze hadden allemaal een korte klep, waarboven een dubbele goudkleurige tres werd geplaatst. Op deze klakken kwamen geen jaarsterren voor, maar wel een faculteitsteken.
Rond de eeuwwisseling vinden we in België groene en witte klakken, al naar gelang de voorkeur van de student. Vooraan werd in gouddraad het faculteitsteken geborduurd en werden er ook jaarsterren geplaatst. De klep evolueerde van kort naar lang. Naar aloude Belgische gewoonte begon men toen deze klakken te gebruiken als schotelvod, zakdoek, bierbeker, … enz. En ze kreeg dan ook snel de bijnaam CRAPULEUZE. In een artikel uit die tijd ondergetekend door Mustaard is er sprake van de oude groene die zelf groener en groener wordt naarmate de student ontgroend.
In het begin van deze eeuw begint echter herrie rond deze petten. Een aantal student-modefatten begonnen de Franse studentenbaretten te dragen (het model was ingegeven door de dracht van de boheimeschilden in het Parijse Qaurtier Latin). Deze baret wordt de FALUCHE genoemd, later misprijzend LA FLATTE (=koeiendrek). Ook begonnen toen de caloten al van hun tak te maken want zij wilden een aparte pet om zich te onderscheiden van het niet-katholieke gespuis. Het ontwerp van de toque werd ingegeven door het hoofddeksel groot tenue van de pauselijke afgevaardigden. De toque vond men spoedig terug in Leuven, Luik en Gent en zelfs op de ULB waar enkele levensmoede nonnen ze introduceerden.
Alhoewel de toque ontworpen was als algemene (en dus niet Waalse ) katholieke studentenpet vond ze niet echt bijval onder de Vlaamse studenten, die dan onder leiding van Jef Vanden Eyndee in 1907 de nieuwe Vlaamsche studentenpet lieten overkomen uit Duitsland. Het waren dus petten naar Duits model: kleine, ronde (overlangs 19 cm) petten uit laken met klepje. De kleur van het bovenstuk en de drie randkleuren waren verschillend voor elke gouwgilde. Doch daar al deze calotestreken op onze geliefde klak geen uitwerking hadden, zullen we er verder niet op ingaan. Bij ons in Brussel blijven de petten van het algemeen Belgisch model tot op de dag van vandaag rustig hun eigen leven lei(ij)den. De ketting die tegenwoordig elke zichzelf respecterende klak tooit, vindt zijn oorsprong in de jaren dertig toen er relletjes waren tussen Vlaamse en Waalse studenten. Een van de treiterijen was al lopend de klak van iemand zijn kop te jatten. Vermits dit nogal vervelend was, kwam er al snel een snuggere Brusselaar op het idee om een ketting aan zijn klak te hangen wat tot gevolg had dat als iemand de klak wou pikken de Brusselaar er aan bleef hangen.
Als pittige anekdote moet toch worden vermeld dat de caloten onze klak altijd te min gevonden hebben. Dit blijkt uit het feit dat in 1941, toen de Duitsers de VUB (toen nog ULB) sloten en enkele VUBers toen verder gingen studeren aan de KUL het hen verboden werd hun klak nog langer te dragen.
Jan Van De Vel, Senior ‘t Vat 93-94
Het praeseslint
De VUB studentenfolklore kent twee soorten linten : het bestuurslint en het praeseslint. De laatste jaren raakte het bestuurslint echter grotendeels in ongebruik: enkel de bestuursleden van het Vlaams Rechtgenootschap droegen het, tot voor enkele jaren, op het jaarlijkse galabal van hun kring.
Het praeseslint, dat vrijwel ongekend is aan de ULB ( behoudens wat betreft de leden van de zanggilde Corpoatio Bruxelensis ), en ongetwijfeld als een typisch Vlaams attribuut kan worden beschouwd, moet, overeenkomstig de regels van de codex 2.10 m lang en 12 cm breed zijn. Het wordt gedragen bovenop de kledij over de rechterschouder, met het schild op de borst. Steeds volgens de codex worden linten slechts door studentikoze kringen gedragen. In de mate waarin het lint een studentikoos attribuut bij uitstek is, heeft de codex allicht gelijk. Probleem hierbij is echter dat er geen echt sluitende definitie kan worden gegeven van hetgeen nu juist onder studentikoos moet worden verstaan. Sedert 1995 draagt bvb. de voorzitter van het Liberaal Vlaams studentenverbond afdeling Brussel eveneens een lint. Ook al huldigt deze kring sedert diezelfde periode inderdaad een aantal studentikoze tradities ( overdrachtscantus e.d.), toch kan bezwaarlijk worden geopperd dat deze kring vanuit zowel haar bestaansreden als haar doelstellingen eminent studentikoos of student-folkloristisch kan worden genoemd ( er wordt bvb. niet gedoopt bij het L.V.S.V. ). Bijgevolg moet ook hier worden vastgesteld dat de strikte regels die in de codex vervat zijn niet altijd (meer ) stroken met de gangbare praktijk...
De traditie van de linten stamt ook af uit Duitsland. Samen met de petten liet Jef Vanden Eynde (KUL) linten overkomen uit Duitsland. Oorspronkelijk kenden we maar twee soorten linten: het praeseslint zonder functievermelding want de praeses was de enige met een breed lint, en de clublinten (27mm breed, 1.2 m lang) die door alle gedoopten werden gedragen. Deze linten zijn echter in Brussel in onbruik geraakt. Wel is er in heel Vlaanderen nu een derde soort linten bijgekomen, zij zijn 9 cm breed en tussen 1,3 en 1,4 m lang, de praesidium linten met functievermelding.
Monogram
Het monogram (zirkel) is een dooreenvlechtsel van de woorden Vivat, Craescat, Floreat, gevolgd door de beginletter van de clubnaam. Het gebruik ervan ontstond in eeuwen geleden in Duitsland. In die tijd waren, zoals dikwijls, de studentenverenigingen het slachtoffer van de strenge vervolgingen. De illegaliteit was de enige uitweg. Zij namen daarom een aantal gebruiken over van de toenmalige vrijmetselaarsloges. Het moet dan ook niemand verwonderen dat de oorspronkelijke betekenis niet is Vivat Crescat Floreat (Leve, Groeie, Bloeie) maar wel Vivant Fratres Conjuncti (Leve verenigde broeders). De laatste term moest echter plaats ruimen voor de eerst genoemde.
Jan Van De Vel, Senior ‘t Vat 93-94
Toga en labojas
De traditie van het dragen van toga's is even oud als de universiteiten zelf. Tijdens de initiatierites (de dopen van nu) verkleden de anciens, die deze activiteit leidden, zich in als kerkelijke hoogwaardigheidsbekleders uitgedoste “rechters”. Zoals men wel weet dragen rechters toga's, dus vandaar deze traditie.
Over labojassen valt weinig te vertellen, de naam verklaart zijn oorsprong. Naar verluid zouden de studenten van de faculteit wetenschappen de eerste zijn geweest die hun labojas ook na het practicum bleven dragen en hiermee toekwamen op cantussen en andere activiteiten. Dit voorbeeld werd gevolg door de studenten geneeskunde, waarna de studenten van de andere faculteiten het nut en de folklore hiervan inzagen en de labojas algemeen ingeburgerd raakte.
De instellingen
Het Brussels Studentengenootschap “Geen Taal, Geen Vrijheid”
Historiek : zie Aerden, E., Het Brussels studentengenootschap Geen Taal Geen Vrijheid 1856-1970 , onuitgegeven paper, 1996, 50 P.
In 1856 wordt aan de Université Libre de Bruxelles de eerste vlaamse studentekring opgericht onder de naam Nederduitsch Taalminnend genootschap Schild en Vriend. Hoewel het zogenaamde vlaamse bewustzijn toen nog in haar kinderschoenen stond, moet de oprichting van deze vereniging worden gezien als de rechtstreekse resultante van een eerder gunstig-gezind klimaat t.a.v. de ontluikende vlaamse beweging. Hiemee doelen we in het bijzonder op twee specifieke groepen, m.n. de progressieve liberale krachten (de zgn. jeunes liberaux) alsmede bepaalde tendenzen binnen de vrijmetselarij. De pro-vlaamse ontwikkeling binnen deze groepen werd vnl. gemotiveerd door het idee dat de Vlaamse beweging een uiterst nuttige bondgenoot zou kunnen zijn in de strijd tegen de klerikalen. Het inwilligen van de taaleisen betekende, althans voor voorvernoemde groepen, in eerste plaats het bestreiden van de clerus in de taal van het volk en de laïciserende denkbeelden ruimer verspreiden in Vlaanderen en Brussel. In de mate waarin de Brusselse universiteit een emanatie vormde van bovenvernoemde krachten (liberaal-vrijzinnigen en vrijmetselarij), hoeft het geen verder vertoog dat ook de ULB de houding tov de vlaamsgezinde groepen meer in positieve richting zou evolueren.
Het is dus in dat klimaat van vernieuwde Vlaamsgezindheid dat wij de oprichting de oprichting van Schild en Vriend aan de Université Libre moeten situeren. Alvorens in te gaan op de rol van deze vereniging moeten we eerst een, zij het kleine, omweg maken via het gentse Atheneum, waar op 21 februari 1852 het haast mythisch studentengenootschap ‘t zal wel gaan wordt opgericht. Stichter en stuwende kracht achter deze vereniging was student en later liberale voorman Julius Vuylstecke. ‘t Zal wel gaan stelde als doel het beoefenen van de Vlaamse letterkund en het voeren van een Vlaamsgezinde actie.
Facultaire studentenkringen
Elke faculteit wordt vertegenwoordigd door (minstens) één facultaire studentenkring. minstens, omdat in de faculteit in de faculteit van de economische, en sociale wetenschappen er twee facultaire studentenkringen aktief zijn, m.n. de Solvay-Kring en de KEPS. Ook in het verleden bestonden meerdere facultaire studentenkringen binnen één faculteit: zo had men, tot aan aan de oprichting van de Letteren en Wijsbegeerte kring (LWK) o.m. Historia-Filosifia (kring van de studenten geschiedenis en filosofie) en Germania Romania (kring van de studenten Germaanse en Romaanse Filologie).
In totaal zijn er momenteel 11 facultaire studentenkringen aan de VUB:
FK : Farmaceutische kring
GK : Geneeskundige kring
HILOK : Hoger instituut voor lichamelijke opvoeding
KEPS : kring van economische, politieke en sociale wetenschappen
LWK : letteren en wijsbegeerte kring
PK : Polytechnische kring
PPK : psycho-pedagogische kring
Solvay : handelsingenieurs
TK : tandheelkundige kring
VRG : Vlaams rechtgenootschap
WK : Wetenschappelijke kring
Zoals reeds hoger vermeld is de conditio sine qua non om een klak te dragen de deelname aan de facultaire doop.
De oudste facultaire studentenkring van de VUB is het Vlaams Rechtgenootschap dat in 1948 als nederlandstalige studentenvereniging aan de Université libre de Bruxelles werd opgericht.
Sedert 19.. hebben de facultaire studentenkringen zich gegroepeerd in een eigen koepel, naar analogie met de regionale studentenkringen, het zgn. Facultair convent. Aldaar bespreken de facultaire voorzitters matteries die andere kringen minder of niet aanbelangen (zoals de doopzaal, cursusdienst e.d.)
Regionale studentenkringen
Het behoort tot een aloude traditie dat studenten zich gaan groeperen naargelang de streek van hun herkomst. hierin verschillen de studenten allerminst van hun collega's uit de andere universiteitssteden.
Doorheen de jaren zijn tal van regionale studentenverenigingen ontstaan en, in sommige gevallen, ook verdwenen. De oudste reginale studentenkring van de VUB is het VSKM (Vrijzinnige Studentenkring Mechelen ) dat werdt opgericht in 19.. . Vele kringen, waaronder ook voorgenoemde, zijn onder hun huidige vorm eerder recente verschijnselen. Tal van hen waren reeds jaren op non actief toen vanaf het einde van de jaren ‘70, als gevolg van van het studentikoos en folkloristisch reveil, werden heropgericht. Momenteel zijn er 12 regionale studentenkringen erkend door het BSG. Sedert 1992 werd, onder impuls van Geert Depoortere (pro-senior Westland-VUB ) en Laurent Rens (pro-senior van Kinneke Baba), een koepel gesticht voor alle regionale kringen, dat met de uiterst originele naam ‘Regionale Kringen' werd bedacht. De regionale kringen organiseren samen diverse TD's en staan elk jaar in voor een prachtige praalwagen op de St-Vé stoet...
De regionale kringen van de VUB zijn:
Aalsters vrijzinig studentengenootschap (AVSG), kleuren rood-wit-geel
Antverpia (A P A), kleuren: rood-wit-rood
Bockstaelse Maegden (BM), oud leerlingen uit het atheneum van Laeken
kleuren: lichtblauw-wit-lichtblauw
Brugse studentenkring (BSK) kleuren: rood-wit-blauw
Campina (Camp) studenten uit de Kempen, kleuren: groen-wit-groen
Kinneke baba (KB) studenten uit Geraardsbergen, kleuren:geel-rood-geel
Kring der Brusselse studenten (KBS) kleuren: groen-rood-groen
Limburgia (LIA) kleuren: groen-wit-rood
Ostedsche Ploate (OP) studenten uit Oostende en de kuststreek kleuren: rood-geel-rood
Geuzenkring Pajotteland (GKP) kleuren: paars-oranje-paars
Vrijzinnige studentenkring Mechelen (VSKM) kleuren: geel-rood-geel
Westland: studenten uit west vlaanderen, kleuren: rood-geel-wit
De folklore Academie
Historiek
De Folklore Academie werd in het academiejaar 1981-1982 opgericht door een aantal stoutmoudige folkloristen waaronder Nick Trachet, praeses van de wetenschappelijke kring, Hugo Van Schandevijl en Hendrik Daems (Consul primus 1981-1982). Doel van deze kring was althans op papier, te waken over de studentikoze traditie alsmede het folkloristisch gebeuren, over de kringgrenzen heen. De folklore Academie heeft ook altijd getracht om ongekende liedjes aan te leren en streeft ernaar dat de liedjes uit de codex juist gezongen worden. Het spreekt voor zich dat, mede onder impuls van Consul Primus Hans Willemyns, het leeuwendeel van de aktiviteiten van deze kring zich zou toespitsen op het cantusgebeuren. In het jaar van Hans Willemyns is voor het eerst het doorgeef-lint in gebruik geraakt. Dat academiejaar is er ook een samensmelting gebeurt met Haegelant, een kring die zich vooral bezig hield met zwijnen en boeren (een aantal activiteiten was bvb. figuurkakken, verpissen,…). Een aantal “nutigere” activiteiten van Haegelant werden wel door de Folklore Academie overgenomen zoals de 24-minutenloop en de Pop-poll.
Het bestuur
De Consul Primus, dit is de voorzitter van de Folklore Academie, wordt jaarlijks verkozen door de leden van de schaere van Dertien (zie verder). Eénmaal verkozen heeft de Consul Primus de vrijheid om zelf zijn bestuur samen te stellen uit de meesters en gezellen van de Schaere van Dertien. Dit bestuur bestaat, n.a.m. de andere studentenkringen, uit een aantal kernfuncties, aangevuld met een aantal gewone bestuursleden. Behoudens de Consul Primus bestaat het bestuur uit een Consul Seniores ( onder-voorzitter van F.A.), een Cantor Cantorum (dit is de cantor der cantors) een Vaandrig of vaandeldrager (waakt tijdens de activiteiten over de vlag van de F.A.), een Ab Actis (secretaris), een Quastor (penningmeester) en de Praetor (dit is de afgevaardigde van de Schaere van Dertien in het bestuur van de F.A.).
Activiteiten
Zo organiseert de Folklore Academie jaarlijks de initiatiecantus. Met deze cantus richt de folkore Academie zich exlusief tot de eerstejaars : voor het eerst krijgen zij de mogelijkheid om, begeleid door een beperkt aantal anciens van hun studentenkring (3 anciens per faculteire en 1 ancien per regionale studentenkring), te ervaren hoe een cantus behoort te verlopen.
Al te vaak wordt de Folklore Academie beschouwd als een bende regel-en-komma-neukers, mensen die het folkloristisch gebeuren in een al te strak keurslijf willen dwingen en zichzelf uitroepen als behouders en bezielers van de Brusselse studentiekoziteit. Niets is minder waar. De enige ambitie van de Folklore Academie is echter om te tonen, binnen de bescheiden perken van hun eigen capaciteiten en kennis, hoe het, volgens de regels van de codex e.a., kan verlopen. Tevens organiseert de Folklore Academie regelmatig liedjesavonden met als doel alle liedjes van de Codex Studiosorum Bruxelensis te overlopen en aan te leren.
Jaarlijks brengt F.A. een minicodex uit ten behoeven van de schachten van zowel facultaire als regionale kringen: deze mini-codex bevat de meest gangbare essentials uit de codex.
Buiten de strikte cantus en liederen-segment laat de folklore Academie zich ook gelden op andere eminent folkloristische gebieden. Zo organiseert zij, traditioneel in samenwerking met het Vlaams Rechtgenootschap, de schachtenkeizer en -keizerin verkiezing. Ook de jaarlijkse Pop-poll (oorspronkelijk: De dekadente Pop-poll van Haegeland) wordt door de Folklore Academie georganiseerd: op ludieke wijze worden de meest markante studentikoze figuren van het jaar geëerd met een specifieke badge. Bij wijze van illustratieve voorbeelden, op de jaarlijkse pop-poll worden o.m. de ‘beste cantusleider', ‘Mister VUB', ‘Miss VUB', ‘lul van ‘t jaar' e.a. verkozen. Elke kring krijgt hiervoor een aantal verkiezingsformulieren.
De schare van dertien
Zoals de Folklore Academie is de Schare een overkoepelend orgaan, dat werd opgericht om te discusiëren over studentikoze, folkloristische en andere tradities. Op studentikoos gebied rijzen er menige disputen over folklore. We denken aan klakproblemen, gedrag van bepaalde kringen, samenstelling van de doopjury, enz.... Maar ook andere problemen worden op de Schare besproken. (herschrijven van de blauwe pagina's van codex e.d.)
Vroeger werd wegens het delicate karakter van sommige punten die op de vergadering besproken werden, uitgegaan van een strikte geheimhouding. De leden van de Schare van Dertien hadden zwijgplicht, hun lidmaatschap werd ook niet bekend gemaakt. Maar de studentikoze ratten onder ons winst wel degelijk wie er in zat. Enkele jaren geleden werd voor meer openheid gekozen.
De Schare van dertien bestaat uit dertien mensen, die steeds vervangen worden al naar gelang een frater opstapt, ontslag neemt of buiten wordt gebonjourd. De Schare-leden zijn op tweeledige basis verkozen: omdat het ouwe rotten zijn met enige kennis van folklore en studentikoziteit, ofwel, omdat hun zij in huidige functie een groot aantal mensen kunnen bereiken, en daardoor sommige, louter morele, gezagsargumenten kunnen laten gelden.
Het hoofdoel van de Schare is bepaalde problemen aan te kaarten en niet van personen te sanctioneren. De Schare heeft trouwens geen enkele macht, buiten misschien moreel gezag. Zij evalueren alle activiteiten van de Folkore Academie en het BSG, evenals de rest van de zwijnerij die de hele studentikoze gemeenschap raakt (vb. de dopen). Ook verkiezen zij de Consul Primus en belonen zij de studentikoze zwijnen met titels van meester en gezel (dat sommige onder jullie onterecht lang op deze titel wachten bewijst de feilbaarheid van de Schare en is geensins sanctionerend bedoeld).
Gezel of meester in de folklore is een strikt individuele zaak en geeft geen aanleiding tot enig voor(oor)deel. Zodus heeft de Schare van Dertien besloten, dat aan de titel van gezel en of meester geen enkele prerogatieven verbonden zijn, zodat een folklorist-niet gezel of meester- zich niet benadeeld kan voelen. De benoeming tot gezel is een eerste blijk van waardering. Het meesterschap daarbij aansluitend is een erkenning van een bestendige inzet en interesse voor de studentenfolkore en haar tradities aan de VUB. Het gezel zijn is beperkt tot je VUB carière, het meesterschap daarentegen is voor altijd. De Schare van Dertien is ook bevoegd om iemand zijn titel te ontnemen.
De orde van de Bedelzak
De Orde van de Bedelzak is een orde van verdienste die zich richt tot studenten en oud-studenten alsmede andere personen die een band hebben met de Vrije Universiteit Brussel. Het ontstaan ervan vind zijn oorsprong in de teloorgang van een andere, gelijkaardige orde m.n. de Orde van het Laurier, dat omstreeks 1982 werd gesticht door Nicholas Joshko, toenmalig voorzitter van de studentenkring KEPS. De Orde van het Laurier bloeide ten gevolge van uiteenlopende redenen ca. 1984-1985 dood.
In het voorjaar van 1989 riep de laatste commandeur van de Orde van het Laurier en mede-stichter van de Folklore Academie, Hugo Van Schandevijl, de folklore gemeenschap op een nieuwe orde te stichten. De oprichting van deze nieuwe orde, de orde van de bedelzak (met deze naamkeuze werd duidelijk gezinsspeeld op de band tussen de VUB en de geuzentraditie) werd bekendgemaakt op de allereerste den Briel-cantus onder het voorzitterschap van toenmalig Consul Primus Hans Willemyns.
De orde van de Bedelzak moet gezien worden, zo schrijft de Orde het zelf, als een beloning en/of aanmoediging van personen die actief zijn of waren in het studentenmilieu alsmede personen die een meerwaarde hebben geboden aan de studentengemeenschap van de VUB.
Het vrij onderzoek indachtig moeten we hieraan toegeven dat het bestaan van een dergelijke orde van verdienste uiteraard ook aan felle kritiek onderhevig was en is. Velen menen immers dat het hier louter en alleen narcisistische zelfverheerlijking gaat. Aangezien de orde zelf wordt benoemd met de term vlek, is het niet onterecht om te stellen dat de leden ervan elkaar zelf bevlekken. Bovendien kan men ook de vraag stellen of al diegenen die de orde verdienen (en hoe omschrijf je dat nu...) hem ook daadwerkelijk krijgen. Allicht liepen en lopen er tal van volwaardige krachten rond binnen de studentenwereld alsmede binnen de VUB die nooit voor hun inzet en werkkracht zullen worden bedankt. Zoiets is allicht onvermijdelijk. Belangrijk is wel dat het ontvangen van de Orde vaak een mooie en ontroerende ervaring is. Het ios als het ware de dank u en het schouderklopje waar je eigenlijk nooit hebt om durven vragen, maar toch zo graag, al was het maar één keer in je leven, krijgt.
Naast de uitreiking van de vlekken (dit gebeurt traditiegetrouw op het jaarlijkse Geuzenbal van de Oud-studentenbond van de VUB), organiseert de O.V.B. ook andere aktiviteiten, deels exclusief voor haar leden, doch ook aktiviteiten waar de hele VUB-gemeenschap welkom is. Zo is er de jaarlijkse tonzitting (vroeger in Gent, sedert 1997 in Brussel) met haar traditionele varkentjes aan het spit, liters bier en oneindige salamanders. Vanaf 1998 zal de Orde van de Bedelzak ook jaarlijks, op de vertrouwde ludieke wijze, de ene of andere super- kalotin/kaloot/tsjeef eens in de verf te zetten. Een alternatieve manier om onze vrijzinnige identiteit en maatschappelijke betrokkenheid te illustreren.
Sint-Verhaegen
zie o.m. Andrée Despy-Meyer, Ontstaan en ontwikkeling van een legende: het beeld van Pierre-Théodore Verhaegen in Vrije Universiteit Brussel, Pierre- Théodore Verhaegen, 1796-1862, 254p.
Traditiegetrouw wordt jaarlijks op 20 november de stichter van de ULB herdacht. De viering bestaat uit een officieel en een studentikoos gedeelte. Bij het officiele gedeelte behoren onder meer het neerleggen van bloemenkransen aan de schietbaan ( in herdenking van studenten en leden van de universitaire gemeenschap die gedurende de tweede wereloorlog sneuvelden ), aan het graf van Théodore Verhaegen en aan het monument ter ere van Francisco Ferrer voor de campus van de ULB. Het studentikoze gedeelte wordt gevormd door de door alle Brusselaars gekende (en gevreesde...) St-Vé Stoet.
Historiek van de St-Vé Stoet
Zoals bekend wordt dit feest gevierd op 20 november. Uitzonderlijk kan dit feest op een andere dag plaatshebben, zoals enkele jaren geleden bijvoorbeeld toen de studenten gedwongen werden uit te wijken omwille van een voetbalmatch.
Op dus die enkele gevallen na wordt de stichting van de ULB herdacht op 20 november. Aangezien Theodore Verhagen algemeen aanzien wordt als “de stichter van de ULB”, werd dit feest naar hem vernoemd. Verhaegen, afkomstig van Gent, was grootmeester van België.
De oprichting van de ULB is in feite terug te brengen tot een uitvloeisel van de liberaal-katholieke strijd. De pro-Oranje liberalen vonden de rol van de katholieken in de Belgische revolutie wat te veel getuigen van machtswellust. Dit kwam ondermeer tot uiting bij de afschaffing van de Leuvense staatsuniversiteit en de oprichting van een katholieke universiteit in Mechelen in 1834. Als reactie hierop ontstond in de vrijmetselaars kringen, voornamelijk bestaande uit liberalen, de idee van een liberale vrijzinnige universiteit. Het was verhaegen die de vrijmetselarij trachte te poltiseren om op deze wijze de strijd met de katholieken aan te binden. Laat ons dan ook vooral niet de steun vergeten die Verhaegen bij de stichting van de ULB genoot, enerzijds van de liberale gemeenteraad van Brussel, anderzijds van de liberale provincieraad.
Op 20 november 1834 vond de opening van de universiteit plaats. Aanvankelijk zou deze universiteit de “Université Libre de Belgique” heten, omdat in die periode de studentenpopulatie enkel uit zonen van liberale organisaties uit het ganse land bestond. Alhoewel onze Alma Mater pas in 1969 ontstond uit onze moeder-, of hoort U liever zuster-, universiteit, de ULB, kon men reeds vanaf 1850 spreken van een vorm van vrijzinnig flamingantisme.
Voor de tweede wereldoorlog werden zelfs al Nederlandstalige cursussen gegeven.
Wat was nu het eigenlijke doel van die eerste Sint Verhaegen-optocht in 1888 ?
Het eerste studentenfeest dat werkelijk de naam “Sint Verhaegen” heeft gekregen, zo schrijft ULB- historica Andrée Despy-Meyer, dateert van rond 1888. Over de reden waarom juist in die tijd het feest ontstond bestaan verschillende interpretaties, doch een algemene verklaring zal allicht te vinden zijn in het algemene politieke klimaat binnen en buiten de universiteit . Voor de studenten, was vooral de doctrinaire opstelling van het universiteitsbestuur een doorn in het oog: door Verhaegen te herdenken wilden zij vooral de geest van de stichters van de universiteit in herinnering brengen en de anti-democratische opstelling van de universiteit aanklagen. Gaandeweg breide deze exclusieve studentenviering zich uit tot een herdenking waaraan de meer progressieve vleugel van de universiteit ook deelnam.
Men kan, zonder aarzelen, stellen dat de optocht in die tijd een feest van de burgerij was. Zoals reeds eerder aangehaald, bestond de Brusselse studentenpopulatie enkel uit bourgeoisiezonen uit het hele land. In tegenstelling tot hun eigen intelligentsia en na hun eigen intellectuele cultuur, maakten zij van deze dag gebruik om ook eens een dagje aan de volkskultuur te wijden.
We spreken hier inderdaad van volkscultuur, daar de eerste St Vé-optocht een uitvloeisel was van een eeuwenlange traditie van optochten door Brussel. In de middeleeuwen had zich naast de adel en de geestelijkheid een derde macht gevormd: de steden en de burgers.
In de veertiende eeuw maken we reeds kennis met het begrip “optocht” hier in de hoedanigheid van “de zottenfeesten”. Tijdens deze feesten werd de bestaande hiërarchie volledig omgedraaid en kon men zich gedragen op een manier die op alle andere dagen van het jaar niet getolereerd werd. Wagens reden van de bovenstad, waar de hogere standen leefden, naar de benedenstad, het gebied van de lagere standen. Ook onze stoet trekt van de hoger gelegen Zavel naar de lager gelegen Beurs. De blijvende aanwezigheid van de bisschoppen op dit festijn, wijst eveneens op de erkenning van de feesten door de gemeenschap.
Ook het traditionele bedelen vindt zijn oorsprong tijdens deze feesten. Wanneer Jan De Cromme in 1457 tijdens de zottenfeesten kardinaal wordt, bedelt hij in de wijken van Brussel om drinkpenningen te verzamelen. Hierbij valt hij vooral de vrouwen lastig, maar dat is een heel andere traditie.
Doorheen de jaren, ook gedurende de moeilijke oorlogsperiodes, werd de St Vé traditie verdergezet, zij het dat het verschillende malen, o.a. Wat betreft het parcours van de stoet, grondig veranderde. De verandering in het parcours wijzigde o.m. als gevolg van de verhuizing van de universiteit naar de bovenstad, doch ook onder impuls van de gebeurlijke stadswerken… Zo hield de stoet tot voor enkele jaren halt aan het standbeeld van ‘s werelds beroemdste ketje: Manneken Pis, Dat voor de gelegenheid steevast in de traditionele studentendracht getooid is (klak en labojas).
In de voormiddag vindt het officiële gedeelte plaats: opeenvolgend worden bloemenkransen neergelegd aan het graf van Théodore Verhaegen, de nationale schietbaan (aan het monument ter ere van de studenten die tijdens de tweedewereldoorlog sneuvelden). Vervolgens vindt een gemeenschappelijke zitting van de ULB/VUB plaats in de grote hal (de zgn. Marmeren zaal) van het centrale gebouw aan de ULB. Daar houden de rectoren en voorzitters van de respectievelijke universiteiten, de voorzitters van OSB (Oud Studentenbond VUB) en UAE ( Union Anciens étudiants ULB), de voorzitter van de ACE (association des cercles Etudiants) en het BSG (Brussels Studentengenootschap “Geen Taal geen Vrijheid) alsmede de vertegenwoordiger van het Groot-Oosten van België een korte toespraak.
Tot Slot worden bloemenhuldes gebracht aan de oorlogsslachtoffers, aan het stanbeeld van Théodore Verhaegen en het stanbeeld van Fransesco Ferrer.
Sedert enkele jaren vertrekt de VUB-delegatie daarna naar de vijvers van Elsene om een bloemenhulde te brengen aan het standbeeld van Charles de Coster, de welbekende auteur van het Uylenspiegel-epos.
In de nammidag wordt dan de stoet gevormd op het zavelplein. Dit vormt jaarlijks kopzorgen van formaat voor de bestuursleden van BSG en ACE, die zichals ware security agenetn moeten ontpoppen. Omstreeks 14 uur vertrekt de stoet stapsgewijs richting Beursplein, alwaar hij wordt ontbonden en de verschillende praalwagens richting ULB en VUB campus terugrijden.
De St Verhaegenstoet vormt jaarlijks het hoogtepunt van het studentikoze jaar. Het vormt de uitgelezen gelegenheid voor de pasgeboren schachten en schachtinnen om samen met al dan niet doorgewinterde anciens hun studentikoze idealen te vieren. Achter de bloem, de eieren en liters bier gaat echter een heuse levensfilosofie schuil, dat van de vrijgevochten studenten, een geest van protest tegen de gevestigde waarden en de hypocrisi van vele huisjes.
De Cantus
Reglementen en bemerkingen
Clubtafel en corona
De corona wordt gevormd door alle aanzittenden aan de clubtafel en is samengesteld uit ouderejaars of anciens, schacten en eventuele gasten.
Alle leden van de corona zijn onderworpen aan de voorzittende praeses en de reglementen van de codex..
De clubtafel bestaat meestal uit verschillende tafels die opgesteld worden in de vorm van een U, een rechthoek of een hark met drie tanden of meer, naargelang het aantal aanwezigen. De praesestafel wordt beschouwd als een ereplaats en is dus voorbehouden aan de praeses, leden van het bestuur en eventueel gasten.
De commilitones zitten rechts en links van de praeses naar het benedeneinde van de clubtafel toe, zodat schachten aan het benedeneinde, de achtercorona, van de clubtafel zitten, samen met hun schachtentemmer.
De voorzittende praeses
De gehele corona is aan de macht van de praeses onderworpen. De praeses staat in voor het tuchtvol verloop van de avond. Hij zit de vergaderingen voor, regelt het verloop ervan, bepaalt op een cantus wie er wat zingt, beveelt silentium, verleent colloquium, verbum of tempus, legt de straffen op, zit de plechtigheden voor en ontgroent de schachten.
Enkel de voorzittende praeses staat boven de regels van de codex, d.w.z. dat men hem geen sanctie kan opleggen bij een gebeurlijke overtreding ervan.
De praeses stelt een plaatsvervanger aan als hij zijn plaats verlaat. Deze verkrijgt dan tijdelijk de praesesmacht.
Aan elk kommando van de praeses moet onmiddellijk gevolg gegeven worden. Het niet gevolg geven aan een kommando, alsook het onbevoegd kommandoroepen worden bestraft.
De praeses mag zich door één of meerdere, door hem aangestelde, zedenmeesters laten assisteren voor het behouden van de tucht. Deze mogen op eigen gezag een straf van maximum vier vingers bier opleggen. Bij betwisting heeft de praeses het laatste woord.
Bemerkingen:
Colloquium: de praeses kan colloquium verlenen aan een beperkt aantal personen als er op bepaalt moment een dicusie ontstaat. De praeses duid dan bvb. vijf personen aan die dan in publiek hun mening mogen verkondigen over het desbetreffende probleem. Ook kan een persoon van de corona het woordt vragen aan de senior om voor te stellen om over een bepaald thema te discusiëren. Ook dan duid de senior aan wie er mee zal discusiëren. Het colloquium is tijdgebonden, dwz. de praeses zegt dat de discusie na x aantal tijd moet afgelopen zijn (vb. 10 minuten).
Dit princiepe is eigenlijk in onbruik geraakt. Dit heeft misschien wel onrechtstreeks geleid dat er momenteel veel te veel gebabbeld wordt op cantus.
Zoals in de reglementen beschreven staat staat de praeses boven de reglemnten van de codex. Dit heeft als automatisch gevolg dat hem geen sanctie kan opgelegd worden door de corona. Om deze dictatoriale machtspositie in vraag te stellen wordt er bij onenigheid een “Président” gezongen (zie 5.2). Al te vaak wordt er autosanctie geroepen en dit meestal onterecht. Zo is de senior niet verplicht om na elk liedje de corona toe te drinken met de woorden “Prosit corona”, deze “traditie” van na elk liedje te drinken bestaat slechts een zevental jaar. In de realiteit is hier momenteel niet veel meer van te merken, het disrespect voor de praeses en de studentikoze tradities is momenteel zo groot dat er nog nauwelijks van een cantus kan gesproken worden. Elk klein “foutje” dat de senior maakt wordt onmiddellijk door de corona toegejuicht met een “autosanctie”. De corona heeft niet de macht om de senior een sanctie op te leggen, maar ze gedraagt zich alof de cantus van hen is.
Langs de ene kant kent de senior de reglementen niet of past ze niet correct toe. Langs de andere kant is de interesse van de corona om liedjes bij te leren afwezig. Als men een liedje niet kent begint men spontaan te babbelen, in plaats van zijn of haar bakkes gewoon te houden.
Tegenwoordig spreekt men over een geslaagde cantus als er “voldoende” geboycot is geweest Dit probleem is volledig te wijten aan een slechte opvoeding van de schachten door eminente personen aan de VUB. Er heerst een totaal gebrek aan respect voor de tradities en de stichters van onze kringen. Deze lak aan respect is ook deels te wijten aan het ontstaan van het overkoepelde orgaan RK (Regionale Kringen), die eenzelfde status en machtpositie wilden en willen bekomen als de Fakultaire kringen. Een zeer eenvoudeg voorbeeld is het al dan niet streven naar de regionale klak. Dit spijtige streven heeft veel kwaad berokkend. De fakultaire kringen hebben een langere traditie en dus automatisch een groter besef en respect voor deze tradities. De regionale kringen bestaan hier aan de VUB nog niet zo lang, een groot deel van hen werd wel in het begin van deze eeuw gesticht, maar zij zijn allemaal terug opgericht eind jaren tachtig. De huidige (jonge) generatie regionalen is zich niet bewust van dit feit en treft daaromtrent geen schuld, zij zijn zo opgevoedt door hun anciens. Wat wel moet gebeuren is dat iedereen er zich van bewust wordt dat het zo niet langer kan duren en dat we daar samen aan zullen moeten werken om het niveau van een cantus weer aanvaardbaar te maken.
Een laatste bemerking gaat over het doorgeven van de hamer op cantus. Tegenwoordig als de praeses de tafel verlaat om welke reden dan ook doet hij of zij dit in het midden van een liedje zonder de corona te verwittigen wie er zijn of haar machtspositie overneemt. Dit leidt tot complete chaos. Op het moment dat de corona ziet dat de senior zijn plaats verlaten heeft stopt en deel met het liedje te zingen en schakelen ze over op het zingen van een “Président”. Hoe het dan beter kan en waarom. Na het beëindigen van een lied deelt de senior mee dat hij zijn hamer doorgeeft aan zijn vice-praeses, die vooraf gewaarschuwd is, zodanig dat de cantus op een correcte manier kan verdergezet worden. Als de corona dan zin heeft om een “President” te zingen, dan doen ze dit. Bij vele kringen gebeurt het dat de vice-praeses het volgende jaar de praeses zal zijn. Als de vice op cantus de hamer krijgt, geldt dit dan ook als een soort test van de praeses om te zien hou zijn vice zich kan uiten in deze machtspositie. Als de senior terug aan de tafel komt zitten zal zijn vice hem de hamer teruggeven na het beëindigen van het liedje.
Silentium, Verbum en Tempus
Er moet onmiddellijk stilte zijn telkens de praeses het gebiedt met het kommande “silentium” alsook tijdens de plechtigheden en tijdens een speech en het zingen. Enkel de Praeses mag het silentium onderbreken of beëindigen.
Verlangt een lid van de corona het woord, dan steekt hij zijn hand omhoog en richt zich tot de praeses met: “Senior verbum peto”. De praeses geeft toestemming met “habes” of weigert met “non habes”. Na toestemming van de praeses staat het lid van de corona op en neemt zijn klak af waarneer hij zich richt tot de praeses of de corona. Schachten vragen eerst het woord aan hun schachtentemmer, die hen al dan niet de toestemming geeft aan de praeses het woord te vragen. Wanneer het lid van de corona zijn toespraak beëindigd heeft richt hij zich tot de praeses met “Dixi”, en zet zich neer. De praeses heeft ten allen tijden het recht iemand het woord te ontnemen.
De “Tempus commune” of “Tempus pissendum” wordt door de praeses gegeven als hij het nodig acht. Tijdens deze tempus worden de regels van de Codex opgeschort en mag iedereen de clubtafel verlaten. De tempus duurt ca. vijf minuten.
Een “Tempus privatum” geldt slechts voor één commilito. Deze vraagt: “senior, tempus privatum peto?” de preaeses antwoordt met “Habes” of “Non habes”.
Bemerkingen:
Al te vaak staan leden van de corona spontaan recht om naar het WC te gaan. Dat dit onaanvaardbaar is spreekt voor zich. De juiste mannier om tujdens de cantus naar het toilet te gaan is de volgende. De comilito wacht tot het liedje gedaan is en totdat de senior is uitgesproken, staat recht, neemt zijn of haar klak af, richt zich tot de praeses en vraagt: “Senior, tempus privatum peto?”. Waarop de senior dan antwoord met “Habes” of “Non habes” in geval de tempus comune in aantocht is.
Voor de schachten gaat het als volgt tewerk. Zij moeten het eerst aan hun schachtentemmer vragen, waarop deze het dan aan de senior vraagt.
Wat tegenwoordig veel gedaan wordt is het tempus vragen door een T-gebaar (het Time- Out gebaar). Deze nieuwe traditie valt niet toe te juichen noch af te breken, maar is een gevolg van een gezonde evolutie binnen de studentikoziteit.Het is ook een weinig storende methode om tijdens een lied duidelijk te maken dat men de tafel west te verlaten.
De duur van de tempus zou niet langer mogen duren dan nodig. Dit wil zeggen dat iedereen de mogelijkheid moet gehad hebben om naar het toilet te gaan. Zodra dit het geval is dient de cantus verder gezet te worden.
De praeses eindigd de tempus met de woorden: “Tempus ex! Cantus in!”.
Zingen en drinken
De cantor heft de twee eerste regels van een lied aan, op kommando van de praeses: “Cantor, ad cantandum verbum habes”. De corona begint slechts te zingen op uitdrukkelijk bevel van de cantor. De praeses kan eventueel iemand anders uit de corona laten aanheffen met het kommando: “XXX, ad cantandum verbum habes”. De aangesprokene staat recht bij het aanheffen.
De praeses kan het zingen van een bepaald lied of een willekeurig gedeelte van een lied opdragen aan bvb. Schachten, anciens, fakulteit X, jaar Y, Commilito Z, Rechtercorona, …
Bij het einde van een lied kan de praerses de corona toedrinken met: “Prosit corona!” en daarbij eventueel vermelden hoeveel moet gedronken worden door de corona (ad libitum, ad fundum, 3 vingers, …). De corona drinkt de praeses toe met : “Prosit senior!”.
Er wordt enkel gedronken door de mensen die bij de corona aanzitten. Iemand die aan de toog staat of dergelijke drinkt niet. Een lid van de corona die een gegronde reden heeft om geen alkohol te drinken dient dit aan de praeses te melden. Niemand, zelfs de praeses niet, heeft het recht een lid van de corona boven zijn of haar krachten te laten drinken.
De schachten of, bij gebrek hieraan, de jongsten of gestraften zorgen voor het vullen en rondragen van de glazen.
Bemerkingen:
Er heerst al eens twijfel over het feit waar de linker of de rechter corana nu juist begint als deze het commando krijgt om een srtofe te zingen. Wel de linkercorona begint met de persoon links van de praeses (de cantor) en de rechtercorona begint met de persoon rechts van de praeses (de vice-praeses). Dus de personen die aan de bestuurstafel zitten dienen mee recht te staan.
Er wordt bijna nooit gedronken wat de senior de corona oplegd. Dit zou nochtans geen probleem mogen vormen. De praeses dient ook te drinken wat hij zijn corona oplegd. Aangezien de praeses ook maar een gewoon persoon van vlees en bloed is zal hij of zij niet meer laten drinken dan wat voor hem of haar haalbaar is. Dit is eigenlijk zuiver theoretisch, want op het moment dat de praeses niet meedrinkt datgene wat hij zijn corona oplegd, zal de corona deze bevelen niet opvolgen (of toch niet met veel zin). Als de senior zeer bewust laat drinken lost dit al veel op. Een voorbeeld: Na het eerste liedje 2 vingers, na het volgende 3 vingers, daarna 1 vinger. Nu zitten we reeds aan een totaal van 6 vingers, terwijl er 8 vingers in één glas gaan. Als de senior dan bij het volgende liedje “Ad Fundum” roept zal de persoon die braafjes meegedronken heeft slecht 2 vingers meer moeten drinken. Het gebeurt zelden dat de senior met een vol glas voor zich de corona een “Ad Fundum” zal geven.
Op cantus moet er natuurlijk ook bier worden rondgedragen en lege glazen worden rondgehaald, dit is de taak van de schachten. De laatse jaren is men veel te laks geworden over dit princiepe, het is zelfs de gewoonte geworden dat nu ook de twee-sterigen°, de drie-sterigen°, de vier-sterigen° of zelfs het bestuur of alle vice-praesesen bier moeten ronddragen (° of boulons). Als er geen schachten zijn zullen de jongsten van de corona hier voor moeten zorgen, maar er zijn bijna altijd wel schachten aanwezig. Door andere bier te laten ronddragen is er een totaal disrespect ontstaan bij de schachten, op deze manier zullen zij nooit leren of begrijpen wat het is om respect te tonen voor de senior, de anciens de kring en alle achterliggende tradieties. Het moet voor de schacht en voor de corona een begrip zijn. Als een schacht naar cantus komt moet hij weten dat hij gans de avond bier moet ronddragen, op deze manier leert hij wat respect is. De schacht weet dan ook dat dit slecht voor een jaar is en dat hij volgend jaar als volwaardig lid bij de corona kan komen zitten.
De straffen
Het staat de praeses vrij te beslissen welke van de volgende straffen hij al dan niet toepast. Een door de praeses opgelegde straf moet door de betrokkene(n) van de corona onmiddelijk uitgevoerd worden. De straffen, die door de praeses zonder overleg met anderen en zonder mogelijk beroep, kunnen opgelegd worden zijn: Pro-poena drinken, bierimpotent verklaren, ad pistum roepen en uiteindelijk buitensmijten. Deze straffen worden meestal in stijgende lijn toegepast voor een hardnekkig saboteur.
Het pro-poena drinken bestaat uit het drinken van een zekere hoeveelheid drank die door de praeses bepaald wordt naargelang de ernst van de inbreuk. De gestrafte staat recht en drinkt toe met: “Prosit senior, (prosit pro senior,) prosit corona!”, waarna hij de opgelegde hoeveelheid drinkt.
Ad pistum roepen gebeurt meestal in geval iemand te laat komt om hem of haar een uitleg te laten geven en eventueel straffen. Men kan ook iemand ad pistum laten zitten om hem of haar een onbepaalde tijd in het oog te houden.
Buitensmijten: Bij zeer ernstige inbreuken op de reglementen of halstarrig weigeren een kommando uit te voeren, kan de praeses een lid van de corona voor een onbepaalde tijd of voor de rest van de cantus verwijderen.
De salamander
De salamander is een heildronk ter ere van iemand of iets en is dus geen wedstrijd sneldrinken. Bijgevolg kan een strafpint bezwaarlijk een strafsalamander genoemd worden. De salamander wordt door de praeses ingezt met: “Ad exercitium, sanctisimi salamandris, omnes commilitones qui adsunt surgite!”. De corona staat recht en antwoord met “Surgimus!”. Wanneer de corona reeds rechtstaat worden “surgite” en “surgimus” vervangen door “levate poculo” en “levamus”.
Hierna begint de praeses een ritmische monoloog naar eigen inspiratie waarbij de corona na iedere zin zijn goedkeuring of afkeer laat blijken. De praeses kan het woord eventueel doorgeven aan anderen in de corona. Op het einde geeft hij kommando ad fundum te drinken.
Het verloop van de cantus
De leden van de corona dragen de fakulteitsklak en hun labojas of toga. De praeses draagt zijn praeseslint en zijn toga. Iedreen is in het bezit van de codex; de praeses heeft ook nog een hamer om zijn bevelen kracht bij te zetten.
Ongedoopten zijn welkom op een cantus, evenwel is het hun verboden een fakulteitsklak, labojas of toga te dragen of om aan de bestuurstafel te zetelen.
De cantus wordt door de praeses ingezet met “Silentium, omnes ad sedes! Surgite! Het clublied!
Na het zingen van het clublied wordt het “Lied van geen taal” aangeheven en daarna de eerste strofe van het “Gaudeamus Igitur”. Deze eertse drie liederen worden rechtstaande gezongen met de klak in de rechterhand ter hoogte van het hart.
Om sympathie met iets te betuigen wordt niet in de handen geklapt, doch met de kneukels van de vuist op tafel getrommeld. Uit respect voor bepaalde liederen wordt de klak afgenomen; wie zich betrokken voelt staat ook recht.
Wanneer tijdens de cantus een praeses of een pro Senior binnenkomt, wordt eerst het lied verder uitgezongen, daarna staat iedereen spontaan recht en zingt ter zijner ere de eerste strofe van het “Io vivat”. Hierna komt de laatstaangekomene ad pistum om het bestuur te begroeten en eventueel ten opzichte van de corona zijn laatkomen te verklaren, waarna hij al dan niet door de voorzittende praeses gestraft wordt.
Ieder ander die te laat komt wordt vanzelfsprekend gestraft, al dan niet na een kans tot uitleg.
De cantus wordt besloten met het “Tsjechisch drinklied” de “Oude Roldersklacht”. Hierna besluit de praeses met “Cantus ex, roling in Le semeur”, waarop “Le semeur” wordt gezongen.
Bemerkingen:
Het gebeurt al te vaak dat een (pro-)senior van een andere kring later toekomt op de cantus. Uit respect voor de senior wordt dan een “Io Vivat” gezongen waarop de toegekomen senior de praeses en zijn bestuur een hand komt geven. Als sanctie krijgt de senior een Ad Fundum.
Wat niet meer gebeurt is dat de te laatgekome(n), dus niet enkel de (pro-)senior, een verklaring moet geven voor zijn of haar te laat komen en hiervoor gestraft wordt. Wat totaal onaanvaardbaar is, is het feit dat er nog senioren na elf uur op een cantus toekomen. Zij verdienen geen “Io Vivat” meer en dienen enkel gestraft te worden met minstens twee Ad Fundums. De senior die enkel te laat komt om zijn of haar Io Vivat te krijgen, verdient zijn lint niet!
Uit respect voor het verloop van de cantus zou iedereen er van in het begin aanwezig moeten zijn. Een cantus leidt zijn eigen leven. Wie er niet van in het begin bij is zal niet in de zelfde sfeer (niet enkel op gebied van aantel gedronken pinten) zitten, een cantus en de ambiance bouw je op door de liedjeskeuze. Al te vaak komt er een ganse groep “ studentikozen” na tien uur op de cantus toe met de boedoeling om zich eens goed te gaan ammuseren. Zij breken de cantus volledig, aangezien zij niet in dezelfde sfeer zitten als de personen die er van in het begin bij waren. Zij dringen hun wil al te vaak op aan de rest van de corona, die hier niet mee gedient is.
De studentikoze atributen worden ook minder gedragen en dit niet enkel op cantus, maar ook op café, TD of eender welke activiteit van een kring. Vooral de labojas moet het ontgelden de laatste jaren, nochtans is er niets practischer om aan te doen op cantus dan een labojas. Hoe vaak hoor je niet van: “hé kijk uit je hebt op mijn kleren gesmost!”. Doe een labojas aan en dit probleem is er niet meer. De voorzittende senior zou op elke cantus de corona moeten aanmoedigen om zijn of haar atributen aan te doen. De senior moet vooral de mensen ontmoedigen nog zonder atributen op een cantus toe te komen door periodiek de mensen te sanctioneren, die niet in orde zijn. Zij moeten het zich beklagen dat ze niet uitgedost zijn vilgens de regels. Laat ze zuipen!!!
Overgave Praesesschap
Op de laatste cantus van het oude akademiejaar of op de eerste cantus van het nieuwe akademiejaar treedt de praeses af en installeert zijn opvolger door deze, na een korte toespraak tot de corona, tot voor zijn tafel te roepen en hem trouw te laten zweren aan het ideaal met behulp van een eedformule :
Praeses: “Zweert gij onverbreekbaar trouw te zijn aan het princiepe van het Vrij Onderzoeken aan de beginselen van … (naam van de kring) en aldus de traditie voort te zetten van de stichter van onze kring en van alle opeenvolgende praesides?”
Opvolger: “Ik zweer!”
Hierna hangt de aftredende praeses het lint over de schouder van zijn opvolger en zegt: “Ego, … (naam van de praeses), senior abdico et te … (naam opvolger), ex autoritate et dignitate, seniorem nomino nominatum declaro declaratum proclamo!”
Hierna volgt tussen beide een “Ave Confrater”, waarna een eerste “Io vivat” gezongen wordt voor de aftredende praeses en daarna een tweede voor de nieuwe praeses te verwelkomen.
Doop en ontgroening
In het kader van de Vrije Universiteit van Brussel kan de doop enkel beschouwd worden als een kennismaking tussen anciens en schachten, als inleiding tot het kringleven of misschien zelfs tot het universitaire leven. Daarom zijn praktijken zoals dronkenschap, scènes met levende dieren,… zeker ongewenst. Aangezien de doop totaal niet verplicht is, is het onaanvaardbaar dat de eerstejaars onder druk gezet worden om zich te laten dopen of om tijdens de doop (of de voorbereiding hiervan) iets totaal tegen hun zin te doen.
De doop gebeurt bij de eigen fakultaire kring, daarnaast kan men zich ook laten dopen bij zijn of haar regionale kring.
Ergens bij het begin van de doop wordt het kringlied gezongen, gevolgd door het “Lied Van Geen Taal”. Na de doop wordt eventueel “Le Semeur” gezongen. De doop wordt geleid door de doopmeester. Zijn kommando wordt enkel teniet gedaan door dat van de praeses. Hij is eb-veneens verantwoordelijk voor de veiligheid van de schachten en anciens tijdens de doop.
Facultaire dopen worden enkel bijgewoond door comilitones die facultair gedoopt zijn aan de VUB of ULB.
De doop geld zeker niet als ontgroening, dwz. dat een schacht na de doop nog steeds een schacht blijft. Hij of zij heeft slechts het recht tot het dragen van een klak en labojas verworven, alsook de mogelijkheid om later op het jaar ontgroend te worden. Hiervoor mag hij of zij nog geen andere dopen bezoeken.
Na de ontgroening worden de schachten als volwaardige commilitones in de kring aanvaard. Dit gebeurt tesamen met de uitreiking van de doopdiploma's op één van de laatste cantussen van het akademiejaar. Pas vanaf dan kunnen zij opgenomen worden in een kringbestuur.
De eed die wordt afgenomen na de doop is:
“Ego, schachtus collosalus, super hoc symbolum, calvidum, calvidum te frigidum, jure jurende zwero: Omnes cursos brossare, multas virgines amare et perforare, numquam aquam aut limonadem bibere : multos pintos et cigaros anciennibus offerare, in saeculorum bieros Flandrieses zabbere, juro sub hoc symbolum, quae si non teneo sermentum, ontploffare et stinkendo crevare, volvo jubeoque, sic juveat mini Bacchus.”
Na de ontgroening wordt de volgende eed afgenomen:
“Ik zweer onverbreekbaar trouw te zijn aaan het princiepe van het vrij onderzoek en de beginselen van … (naam kring), haar eer en belangen te verdedigen en voor alle comillitones een waardig confrater te zijn en als nieuwe comillito de fakel van onze alma mater waardig te dragen en als baken op te treden in de duistere zee van de onwetendheid.”
Waarop de persoon die de eed heeft afgenomen eindigd met de woorden:
Bemerkingen:
Tot voor kort bestond enkel de huidige doopeed, maar werd deze gebruikt als ontgroeningseed. Die inhoud van de huidige doopeed gaat over hoe de schachten de anciens zullen tracteren en verwennen, ook over dat ze veel op café zullen zitten en dergelijke. Deze eed was eigenlijk niet van toepassing als ontgroeningseed omdat al wat de schachten moesten beloven terugsloeg op de afgelopen maanden (volledig onlogisch). De Schaere van Dertiene heeft dan besloten dit euvel recht te zetten. Zo werd er vorig jaar (1998) een nieuwe toepasselijke ontgroeningseed geschreven en de oude eed werd gebruikt voor hetgeen hij geschreven was nl. als doopeed. In de doopeed, die afkomstig is van de Leuvense codex, stond iets in waar wij, VUB, ons niet konden bij neerleggen, dit is dan ook veranderd. Het gaat over één woord. Vroeger ging de eed als volgt: “ Ego schachtus collosalus, super hoc caput , … . Het probleem bestond in het woord “caput”. Op het eerste gezicht lijkt dit vrij onschuldig. Super hoc caput betekend op dit hoofd. Nu de eed is geschreven door een bende nazi-sympatisanten, en de schedel waarop gezworen wordt is deze van Pee Diercks. Het gaat hier om een katholieke studentenleider, Flor Dierckx, die tijdens de tweede wereldoorlog behoorlijk actief was in de collaboratiebeweging (het zogenaamde Activisme). Sub hoc symbolum (onder dit symbool) is van hetzelfde laken een pak.
Dat laatse wordt hier aan de VUB anders geïnterpreteerd in symbolum verwijzen wij naar het wapenschild van de kring, dus niet naar ectreem rechtse ideëen. Daarom werd ook besloten dat de schachten hun eed moeten zweren op het schild van de kring. Dit heeft als gevolg gehad dat het woord “caput” vervangen werd door het woord “symbolum”.
President montre nous tes couilles
Op een aktiviteit van een studentenkring is het de traditie dat de studenten, op een totaal willekeurig moment, een liedje aanheffen dat als volgt luidt:
“ Président, montre nous tes couilles (lèvres)
président, montre nous ton cul ”
Dit wordt telkens herhaald, totdat de praeses op een stoel of tafel gaat staan, zijn of haar broek en, indien aanwezig, onderbroek afsteekt en zijn kloten (haar lippen) en kont toont. Dit schouwspel kan gepaard gaan met het bespuwen (“brouiaard”) van laatstgenoemde lichaamsdelen met bier. Daarop wordt de afsluiter gezongen:
“Ah, il a des couilles, le président (tris)”
Of
“Ah elle a des lèvres, le président (tris)”
Het is ook de gewoonte dat schachten dit schouwspel niet mogen zien; Zij worden geboden om zich om te draaien of onder de tafels plaats te nemen, en dit totdat het spektakel afgelopen is.
Zij bevinden zich immers (nog) niet in de positie de preses in vraag te stellen.
Een mens die een beetje opgevoed is of Alexandra Colen heet, zal dit ritueel grondig verketteren en klasseren onder de noemer ‘exhibitionisme'. Een prosenior van het BSG mocht dit aan den lijve ondervinden : hij kreeg eens voor de bovenstaande feiten een proces-verbaal wegens schending van de goede zeden.
Een uitleg:
De praeses is de leider van de studentenkring. Men herkent hem aan zijn / haar lint, erbij passense toga en grote mond. Hij / zij vertegenwoordigd de kring naar buiten toe en moet erover waken dat zijn of haar kring positief overkomt. De aktiviteiten van een kring moeten vlekkeloos verlopen. Hij moet m.a.w. het zootje ongeregeld in goede banen leiden. Daarom heeft hij/ zij zeer veel macht om orde op zaken te stellen. Op een cantus kan hij bv. iemand een “ad fundum” laten drinken, biereimpotent verklaren en zelfs “ex” verklaren (buitensmijten). Nu, wij zijn ook maar mensen en het is nog altijd zo dat, als men een aap een kepi opzet, hij een flik wordt. De preses zou wel eens kunnen denken dat hij beter of meer is dan “zijn” studenten. In het studentikoos milieu wordt dit aangeduid met de term “zweven” : de preses voelt zich dan zo belangrijk dat hij elk contact met de ondergrond mist. Om dit gevoel, waar iedere preses vroeg of laat mee te maken krijgt, wat te counteren, is de “président” één van de hulpmiddelen. De senior (synoniem van preses) wordt gedwongen om te laten zien (en in te zien) dat hij ook maar een mens is met ballen of een kut. Ook het bespuwen met bier kan op die manier verklaard worden : spuwen is niet de meest adequate manier om iemand te vereren…
Dé uitleg ?
Ik ben zelf tweemaal preses geweest en vond het in het begin niet zo prettig om de behoeders van mijn nageslacht zomaar tentoon te stellen. Aan de andere kant treedt na een poosje een gevoel van gewenning op die voor perverse (in de sociologische zin) effecten kan zorgen : de “président” is dan ook niet meer een last maar ook een beetje een privilege van de preses. Het is dan ook niet uitzonderlijk dat men op sommige cantussen would-be-seniors kan aantreffen die met plezier hun of haar broek afsteken en zich dan gedurende twee minuten preses voelen. Anderen beweren dan weer dat de “président” een totaal andere functie heeft. Op die manier wordt aan de bourgeoisie (lees niet-studenten) getoond dat wij ons afzetten tegen hun bekrompen mentaliteit en zeden. Dit kan best het geval zijn als men “en plein public” zijn broek afsteekt, maar heeft totaal géén waarde op bijvoorbeeld een cantus. Bij veel-sterrige anciens wordt een geeuw dan maar nauwelijks onderdrukt.
Raf Devos
De studentendopen en de ontgroening
Historiek van dopen
De middeleeuwen
In de late middeleeuwen hebben de universiteiten zich spontaan gevormd door een aaneensluiting van studenten (scolares) en docenten (magistri) in een universitas, een soort van wetenschappelijke gilde. Rond die periode waren er vier grote universiteiten, die van Salamanca, Parijs, Bologna en Oxford. Samen met het ontstaan van de universiteiten kwamen ook de eerste studentenkringen tot stand. Vanaf de twaalfde eeuw trokken de studenten rond om op verschillende plaatsen onderwezen te worden. De zwerfstudenten, “vaganten” genaamd, waren vaak ver verwijderd van huis. Om hun tijd te verdrijven en hun heimwee te vergeten trokken ze in hun vrije tijd op met hun collega's uit éénzelfde regio. Zo werden de “nationes” geboren. Men kan deze voorlopers van huidige studentenkringen best omschrijven als een vriendenkring van studenten van éénzelfde gebied die samenkwamen om liederen te zingen tussen het schuimende bier en de rijkelijk vloeiende wijn. Mettertijd onstond er een bestuur van “anciens” die de nieuwkomers “schachten” ontvingen. Deze laatste werden ritueel ingewijd. Dit ritueel, de huidige doop, had als doel de nieuwkomers uit hun beschermd milieu te halen en om hun sociaal contact te bevorderen.
De dopen stammen dus af uit de middeleeuwen en vormen een variatie op de initiaties bij de gilden of compagnonages. Ze dreven tegelijkertijd de spot met de christelijke dooprituelen, waarbij door het uitspreken van formules, de verschrikkelijke erfzonde uitgewist en de opname binnen de gemeenschap der christenen bezegeld werden.
In de universteitsbiliotheek van Heidelberg is een document, Manuale Scolarum , bewaard gebleven waarin precies vermeld staat hoe een studentendoop er in de laat- middeleeuwen aan toe ging. De dopen hadden destijds plaats in de Bursae , de studentenhuizen met slaap- en eetgelegenheid en tevens ruimtes waar magisters, tegen betaling, onderwijs werd verstrekt. De Beanus, Fuchs of schacht werd bij zijn intrede in de bursa opgevangen door twee doopmeesters. Zij vertelden hem dat hij een aantal proeven zou moeten doorstaan en spraken hem moed in terwijl ze hem de gelagzaal binnenleiden om te verschijnen voor de ouderejaars en enkele als kerkelijke hoogwaardigheidsbekleders uitgedoste “rechters”. De schacht werd uitgedost met een kap met horens, een baard, klauwen e.d. Men besluit de beanus een kans te geven zich van zijn ontaardheid te verlossen en zich bij de verheven lovenswaardige studentengemeenschap aan te sluiten. Daartoe zijn er echter klininsche ingrepen vereist en de doopmeesters staan nu een “arts” bij om de horens, baard en de klauwen te verwijderen. Nu wordt de Beanus met water overgoten. Aldus ontdaan van zijn uiterlijke onreinheden, moet de hij ook innerlijk gereinigd worden: hij krijgt een kom water te drinken. Alweer met het oog op de zuivering wordt de schacht in de studentenlatrine opgesloten om de heilzame werking van de lucht die daar hangt te ondergaan. Nu volgt de derde, geestelijke, zuivering of biecht. De schacht biecht zijn sexuele schuld op, weze dat hij overdreven heeft in deze of gene richting. Tot slot houdt men op zijn kosten een drinkgelag. Pas dan is de schacht volwaardig lid van de studentengemeeschap.
Voor 1800
Toen in het begin van de 18de eeuw had men enkel de “nationes” en de procedure voor nieuwelingen ging als volgt. Men was groen vanaf men ingeschreven was en men de eed had afgelegd voor gehoorzaming van academische wetten. Het groentje werd dan geplaagd en gesard op college, op straat en in de kroeg tot hij een etentje verzorgde voor de ouderen.
Te benadrukken is het feit dat de “nationes” een enorme machtspositie hadden en de nieuweling verplichten van zich lid te maken ofwel mochten ze vertrekken met een pak slaag. D euitbuiting ging zelfs zover dat van overheidswege zelfs een formeel verbod was gekomen rond 1600. In rekening te brengen is ook dat toen geregeld kinderen van 12 – 13 jaar zich al naar de universiteit begaven.
De overgebrachte goede kant van het gebeuren was toen reeds de vele sociale kontakten, vriendschappen en hulpjes bij allerlei zaken. D eontgroening gebeurde immers op de zogeheten “suyp-colleges”.
In de loop van de 18de eeuw maakten de naties plaats voor de ontgroensenaten die de voorlopers zijn van de latere corpora. Nog steeds was de groentijd officieel verboden.
Omstreeks en na 1800
De Franse revolutie en de Belgische opstand kunnen verantwoordelijk gesteld worden voor het verlies van de machtspositie. Gelijkheid, Vrijheid en Broederschap werd immers ook de leuze van de student. De voorrechten en privileges verdwenen maar het besef van een superieure groep te zijn, bleef. De studenten voelden zich meer dan ooit superieur t.o.v. de maatschappij en hun maatschappelijke betrokkenheid in de Belgische opstand bvb. leidde ook tot een sterker groepsbesef. Dit is ook af te leiden uit de toen nieuw ingevoerde termen : Studentenstaat en Studentenrepubliek.
Disputen binnen ontgroensenaten
Ontgroeningsverschijnsel werd gedefinieerd als de weigering van eerstejaars als gelijken te accepteren zolang zij zich die “eer” niet waardig hebben getoond. Nog steeds moet het slachtoffer de eet- en drinklusten van de ouderen bekostigen.
De inauguratie zelfwas gebaseerd op nabootsing van de promotie tot docter en andere plechtige academische inwijdingen, tot grote ergernis van de professoren.
Een ander probleem was de toename van de senaten, wat heeft geleid tot het probleem van onderlinge concurrentie.
Ook toen waren er reeds problemen met studenten van minder gegoede richtingen zoals theologie. Er viel niets mee aan te vangen en ze werden gewoon als pseudo-intellectuelen buiten de studentengemeenschap gehouden.
Manifestatie studenten leidt tot ‘societeiten'
De studenten manifesteerd zich in de maatschappij door bvb. op concerten te eisen dat het Io Vivat allereerst gezongen werd. Indien niet, floten zij de groep gewoon weg (jaja KK-ers, wij zijn nog braaf). Vele conflicten ontstonden zo en de student moest geïsoleerd worden, wat heeft geleid tot de soïciteiten.
Dit werd meer een club van aristocraten die fuifde op kosten van de groentjes, en slechts gefortuneerde studenten in haar midden toeliet.
Incident leidt tot grote veranderingen
In 1838 weigerden enkele studenten zich te onderwerpen aan de groentraditie, d.w.z. zij weigerden een hoed te dragen i.p.v. een pet en wilden zich niet laten kaalscheren. Dit leidde tot zware vechtpartijen waarbij vooral de student Kraakman de plaatselijke koppen haalde.
Ik citeer : “Nu werd Kraakman hier dan daarheen gesleurd, een ogenblik zelfs liep zijn leven gevaar toen een ruwe hand, zijn stropdas aantrekkend, hem bijna deed stikken, tot het mes van een korenkoopman nog juist bijtijds te hulp kwam door de das af te snijden. Met gescheurde jas werd hij weer op straat geworpen om terstond weer op te staan en opnieuw binnen te dringen, beangste toeschouwers riepen de politie te hulp, de wacht kwam er aan te pas…”.
Er kwam een rechtzaak aan te pas die de zes belagers veroordeelde tot zware boetes en hiermee begonnen spanningen te ontstaan omtrent de groentijd. De tendens tot afschaffing of verzachting was geboren.
Tegenkantingen leiden tot niet-studentikoze bewegingen
De veelgehoorde uitspraken van de tegenstanders van de groentijd waren de volgende : “Strijdig met gelijkheid van rechten die alle burgers bezitten in een welingerichte staat”, “ontaard, onnutig en flauw” of “in strijd met de liberale geest”.
Alternatieve verenigingen vonden veel inval bij de studenten, en vele universiteitskringen veranderden hun zware groenperiode in ludieke, eenmalige optochten om terug aan populariteit te winnen.
En de doop, die was geboren…
Bubke, Pro Consul Primus
Dopen aan de VUB
Op onze universiteit bestaan er twee soorten dopen: de facultaire en de regionale. De regionale dopen zijn sterk verschillend van elkaar en zijn daarom moeilijker onder één definitie te verwoorden. Algemeen kan men stellen dat de regionale schacht een meer persoonlijke behandeling krijgt. Een regionale doop kan zowel in een zaal plaatsvinden als een parkoers beschrijven in en rond de VUB . De schacht moet één of meerdere ludieke opdrachten uitvoeren en om de ambiance er in te houden worden er spelletjes gespeelt en liedjes gezongen. Het geheel mondt uiteindelijk toch uit in een heuse klashpartij. Ook doopt niet iedere regionale kring in Brussel. Zo zetten Het Aalsters Vrijzinnig Studenten Genootschap (AVSG), Kinneke Baba (KB) en de Vrijzinnige Studenten Kring Mechelen (VSKM) in hun thuisstad de boel op stelten. Ondanks de verscheidenheid tracht men toch zoveel mogelijk een regionaal tintje mee te geven aan dit gebeuren.
Alle facultaire kringen houden hun doop in een doopzaal en dopen volgens een gëijkte procedure. Het doopcomite van een facultaire kring kiest een thema waarrond zij een soort van toneelstukje schrijven. Voor de eigelijke doop vinden er enkele repetities plaats zodanig dat schachten juist weten wat ze op het podium moeten doen. Voor dit toneelstukje moeten er geen teksten geleerd worden aangezien dat alles wat uitgebeeld wordt, met de nodige mimiek en atributen, nog eens verduidelijkt wordt door een passende muziekkeuze. De doop begint traditioneel met het zingen van de obligate liederen ( het Lied van Geen Taal, clublied of -kreet en eventueel het Gaudiamus Igitur). Daarna worden de aanwezeige kringen begroet door de praeses en het doopcomité van de organiserende kring. Dit doen ze door hen een fles whisky-cola of vodka-orange toe te werpen. Als dit allemaal achter de rug is kan de werkelijke doop beginnen. Deze is samengesteld uit een aantal scènes die de schachten zo goed en zo kwaad mogelijk moeten uitbeelden. In iedere scène spelen slechts een tiental schachten mee zodanig dat een schacht niet de ganse voorsteling op het podium staat. Enkel op het einde van de doop komen alle schachten op het podium voor de massa-klash. Hierna wordt nog Le Semeur gezongen om de doop ritueel af te sluiten.
Waarom zou ik mij laten dopen?
Het studentenmilieu is een grote vriendenkring, die gekenmerkt wordt door een enorme sfeer van openheid en vrijheid. De bedoeling van een doop bestaat erin om de nieuwe studenten een inwijding te geven tot de folkloristische gemeenschap, en in de tweede plaats is het een manier om de andere schachten en de leden van het bestuur te leren kennen. Zo streven de kringen er ook naar om deze nieuwe studenten te laten evolueren naar jonge, kritische volwassenen, waarbij hun grenzen verlegd worden en er een zelfbewustzijn ontstaat. Het draait met andere woorden vooral rond het sociaal contact. Tijdens een doop worden gemakkelijker vrienden gemaakt omdat je allemaal in dezelfde situatie zit.
Een doop is in de eerste plaats een inwijdingsritueel. Het betekent dat de schacht daarna volledig wordt aanvaard in het studentikoze milieu. Dit wil niet zeggen dat de niet gedoopten uitgesloten worden, zij kunnen aan de meeste activiteiten meedoen, behalve St Vé en ook mogen ze geen dopen bijwonen. Het is ook een belangrijke stap die de weg opent naar een nieuwe levensvisie. Op de VUB heerst daarenboven het fundamentele principe van het Vrij Onderzoek wat inhoudt dat er niets waar is tot het effectief bewezen is en dat idereen het recht heeft zelf op onderzoek uit te gaan en dus voor zichzelf uit te maken hoe alles ineen zit. Een schacht zal pas weten wat een doop is als hij het zelf heeft meegemaakt en enkel deze stelling zou al genoeg moeten zijn om effectief de kriebel te voelen om op onderzoek uit te gaan.
De bedoeling van een doop is ook de gelijkheid duidelijk te maken. Dit kan men duidelijk zien in het studentenmilieu waar nooit gekeken wordt naar de manier waarop iemand zich kleedt noch naar het al dan niet bezitten van een Claudia Shiffer figuur.
Verder is de uitzonderlijke situatie van een doop een inleiding in de denk- en leefwereld van het studentikoze milieu. De onderwerpen die aangesneden worden, de hele sfeer, de gelijkheid tussen mannen en vrouwen, de ambiance, het zich niets aantrekken van de heersende opinie, de vrijheid tot beslissen, enz. Het zijn er allemaal kenmerken van.
Veiligheid & Clash
Om aan de facultaire dopen een extra dimensie te geven en ook om het niveau van de dopen hoog te houden wordt er elk jaar een wedstrijd gehouden voor de beste doop. De uitslag van deze doop wordt bekend gemaakt op de Pre-St Vé TD. Om deze wedstrijd eerlijk te laten verlopen wordt er een doopjury opgesteld. Deze jury bestaat uit afgevaardfigden van de dopende faculteitskringen, aangevuld met een BSG-bestuurslid en de Consul Primus van de Folklore Academie. De winnende doop wordt gekozen aan de hand verschillende onderdelen, waarbij veiligheid één van de belangrijkste puntjes is. De doop wordt onder andere ook gekwoteerd op de ambiance onder de schachten en in de zaal, het feit dat er geen dwang is noch discriminatie, originaliteit e.d.m.
Tijdens de doop wordt er gebruik gemaakt van clash. Vele vragen zich af wat voor smeerlapperij er eigelijk allemaal inzit. De clash is meestal samengesteld uit bietenpulp, bloem, eieren en methyl blauw. Dit methyl blauw is een produkt dat in de medische wereld gebruikt wordt om te ontsmetten, en is dus volkomen ongevaarlijk. In clash wordt geen slachtaval verwerkt zoals de geruchten steeds de ronde doen, dit is verboden. In de tijd dat er nog in de PK-zaal gedoopt werd stond dit duidelijk in een contract, dat door de dopende kring diende ondertekend te worden.
Vòòr een doop van start mag gaan wordt alles door de jury onderworpen aan een grondige veiligheidsinspectie. Zo wordt de clach gecontroleerd. Er wordt gekeken (geproefd) of de clash geen te hoge concentratie methyleen bevat en of er geen “verboden” produkten in zitten. Het gebeurt wel eens dat dat er een vat met clash verwijderd wordt omdat het niet voldoet aan de voorwaarden. Ook worden alle atributen gekontroleerd, op het feit dat er geen scherpe kanten aan zitten. Op het podium test men ofdat er genoeg zagenmeel gestrooit is geweest tegen het uitschuiven.
Wat ook volledig uit den boze is, is dat er alcohol gedronken wordt door het doopcomité, de mensen die mee op het podium staan en zij die schachten begeleiden in het schachtenkot. Ook de schachten zelf mogen niet drinken tijdens de doop, toch geen alcohol. Als gemerkt wordt dat een schacht zat naar de doop toe komt zal het doopcomité weigeren hem of haar te dopen.
Kritieken
Over de dopen in het algemeen gaan de wildste verhalen de ronde. De meeste van deze vehalen zijn compleet uit den boze, en worden vooral verspreid door mensen die het zelf niet hebben meegemaakt, maar het allemaal beter menen te weten. Zo wordt er onder andere beweert dat als je je niet laat dopen, je uitgesloten wordt en geen lesnota's krijgt, dat er bloed over je gegoten wordt, dat je smeerlapperij moet eten en kaalgeschoren wordt, dat er op je gepist word, en wie weet wat er nog allemaal verzonnen wordt? Het kaalscheren van een (mannelijke) schacht is een gebruik op de ULB en wordt op de VUB slechts gedaan indien de schacht het zelf voorstelt of met het idee akkoord gaat. De enkelingen die zich toch laten kaalscheren doen dit zonder dwang en mits goedkeuring. Deze traditie van de ULB geniet trouwens weinig sympathie onder de studentikozen van de VUB.
Een groot struikelblok voor velen is ongetwijfeld het feit dat de facultaire dopen naakt zijn. De jongens moeten helemaal uit de kleren en de meisjes mogen hun slipje aanhouden. Het is nog steeds verbazingwekkend , hoedat in deze moderne tijden de mensen beschaamd zijn om voor de dag te komen in het kostuum waarin ze geboren zijn. Mensen die beweren dat het naaktdopen zou gedaan worden om de perversiteit van de klakkedragers te stillen, hebben er echt niets van begrepen. Achter dit feit schuilt een traditie met een duidelijke symboliek: Voordat de schachten gedoopt worden trekken ze hun kleren uit, dan worden ze gedoopt met clash, na de doop trekken ze hun nieuwe kleren aan nl. hun klak en labojas. Het zorgt ervoor dat de schachten allemaal gelijk zijn en er geen onderscheid meer is tussen rijk en arm. Men kan hier de gelijkenis zien met de christelijke tradies, al is hier het doopwater vervangen door clash.
Dat studenten zouden worden uitgebuit door de hoge kost van de studentiekoze attributen moet worden gerelativeerd. Het schachtenpakket dat door het BSG wordt aangeboden is niet zo duur. Voor ± 2000,- Bf krijgt men een klak, labojas, codex, ster/Boulon, Letters en Caducé.
Zoals jullie al wel weten houdt “student zijn” heel wat meer in dan blokken. Er zijn vele mogelijkheden om al je talenten tot uitling te laten komen. Het studentenleven, het kringleven en de folklore aan de VUB zijn een ideaal milieu om een groot deel hiervan tot ontwikkeling te laten komen. Zo leer je om verantwoordelijk te dragen, activiteiten te organiseren, je leert er in groepverband te werken, enzoveel meer. Er is niets mooier dan een verlegen persoon hier aan de VUB zien toe te komen om later te zien evolueren tot een sociaal geëngageerd persoon, die durft opkomen voor zij eigen menig en die zich niet meer laat leiden door vooroordelen of ideeën die andere mensen hem proberen in te prenten. En geloof maar niet dat dit tot stand is gekomen door elke dag braafjes naar de les te gaan en ‘s avonds de les voor te bereiden voor de volgende dag. Het associeren van het studenten leven met enkele bisjaren is zowat de belachelijkste stelling van de tegenstanders van de studentikoziteit. Een groot deel van de studenten aan de VUB laten de kanker van het associaal gedrag en de ik-eerts politiek welig tieren. Want zeg nu zelf, wat ben je met een diploma als je niet geleerd hebt om in groepsverband te werken, andermans mening te aanhoren of een eigen kritiek te kunnen opbouwen. Natuurlijk is het niet aan mij om die keuze voor jou te maken. Heb je zelf je toekomst al volledig uitgestippeld? Braafjes mijn diploma halen, als het kan een mannetje/vrouwtje vinden, werk zoeken, met een schoon kostuumpje achter je bureau kruipen, stilletjesaan promotie maken, op pensioen gaan en in een gezellig huisje wonen met een mooi voortuintje. Of ben je bereidt meer van je leven te maken? Hoeveel heb ik er al niet weten afstuderen die zo rechtlijnig kijken dat enkel nog een snelweg veilig voor hen is.
Studentikoziteit heeft duidelijk zijn nut en is zeker meer dan het geboer en gezwijn, zoals het door onwetenden omschreven wordt. Laat je persoonlijkheid volledig tot ontplooing en geniet van het leven, want geluk is de enige waardemeter van het leven.
Met dank aan : Wim Deloof, Elke Deconick, Geert Depoortere
Referenties: Kroniek van de mensheid, De Moeial (16-11-94)
Het vrijzinnig zangfeest van Vlaanderen
In 1985 werd onder impuls van o.m. Jan Schrijvers, toenmalig Consul Primus van de Folklore Academie en oud-voorzitter van de geneeskundige kring voor de eerste maal een studenten-zangfeest aan de VUB georganiseerd. Oorspronkelijk betrof het een ietwat veredelde cantus in aula QA van de VUB. Doorheen de jaren is het zangfeest echter uitgegroeid tot een succesvol massagebeuren dat stevast meer dan 1200 studenten en oud-studenten trekt. Het zangfeest, onder haar huidige formule, bestaat uit drie delen. Het eerste deel bestaat uit optredens van de VUB-zangfaculteit en het Zangkoor. Het tweede deel bestaat uit een zangwedstrijd tussen de verschillende voor-geselecteerde studentenkringen. Het derde luik bestaat uit één of twee gastoptredens (onder de bekenste gastvedettes van de laatste edities vernoemen we o.m. Komil Foo, Raymond Van het Groenewoud, GORKI, De Kreuners, Bart Vandenbossche en Wannes van de Velde).
Terecht mag worden gesteld dat een VUB student die nooit het Vrijzinnig Zangfeest van Vlaanderen heeft bijgewoond alvast geen echte folklorist is (maar ja, what's in a name...)
Het zangfeest diedt bovendien de mogelijkheid om alle leden van de VUB-gemeenschap, studenten en oud-studenten maar ook personeelsleden van allerlei pluimage (jaja tot aan de rector en de voorzitter van de Raad van bestuur toe!) samen te laten zingen in een ongebonden en gezellige sfeer van kameraadschap en broederlijkheid...
Liederen
Hoewel het allerminst onze bedoeling is om hier een alternatieve codex op te stellen(wij hebben er nog de ruimte nog het geld voor...) vonden wij het toch leuk, om bij wijze van afsluitensd toemaatje, een aantal liederen aan de lezer te biedendie hij niet in de codex studiosorum bruxelensis zal terugvinden. Het betreft hier met nale een aantal liederen die niet in de codex staan maar die wel van tijd tot tijd op cantussen worden gezongen. Het betreft ook alternatieve teksten en versies alsmede winnende inzendingen voor het vrijzinnig zangfeest van Vlaanderen. Daarnaast hebben we een aantal liederen opgenomen die weinig of niet gekend zijn maar waarvan wij meenden (en uiteraard is elke keuze subjectief) dat ze minstens het overwegen waard zijn om ooit in een toekomstige nieuwe editie van de codex te worden opgenomen.
Deze tekst werd opgesteld om ooit uitgegeven te worden als een boekje om uit te delen door de Academie. De artikels hierin zijn soms verouderd maar nietemin geven ze een beeld van hoe de sfeer was aan de VUB rondom het midden van de jaren 90.