Pierre-Théodore Verhaegen (1796-1863)

Naar aanleiding van “St-Vé” wordt het tijd om eens aandacht te spreken over de man voor wie de “V” staat. De enige echte heilige die de vrijzinnigheid kent. Het lijkt immers een mirakel dat zijn geesteskind, de ULB, er na 170 jaar nog altijd is – om van zijn geesteskleinkind de VUB nog maar te zwijgen!

Zoals bij elke heilige stemt het beeld dat velen van Sint-Verhaegen hebben niet overeen met de werkelijkheid. Zelfs zijn naam. Tijdens zijn leven sprak men niet van “Théodore Verhaegen”, hoewel zijn ouders hem wellicht met zijn tweede voornaam aanspraken. Zoals in die tijd wel meer voorkwam, gebruikte hij naar buiten toe zelden zijn voornamen en duidde zich meestal aan als “Verhaegen aîné”, om zich van zijn jongere broers te onderscheiden.

Aan zijn afkomst en familie was er niets vrijzinnigs, wel integendeel. Hij kwam uit een eerbiedwaardig geslacht van vooral juristen uit de streek van Haacht. De Verhaegens hadden iets met universiteiten, want twee van hen waren rector in Leuven geweest. Pierre-Théodore Verhaegen – de peetoom van – was zelfs de laatste rector van de oude Leuvense universiteit toen die door de Franse revolutionaire troepen werd gesloten. En pater Peter-Joseph Verhaegen – een volle neef – ging als jezuïet naar de Verenigde Staten en werd de eerste president van de universiteit van Saint Louis in Missouri, kort voordat “onze” Verhaegen met de ULB begon. De klerikale traditie van zijn familie bleef ook na hem voortduren. Zijn eigen nakomelingen behoren ook vandaag tot ‘s lands katholieke elite, verheven in de adelstand – wat hijzelf altijd geweigerd had – en aangetrouwd met families als Carton de Wiart en de Wouters d’Oplinter. De bekendste telg is wellicht kleinzoon Arthur Verhaegen, architect (vooral van katholieke schoolgebouwen…), ultra-klerikaal volksvertegenwoordiger en stichter van de Antisocialistische Werkersbond en het dagblad Het Volk . Er is zelfs een pater Verhaegen biechtvader van koning Boudewijn geweest…

“Onze” Verhaegen is dan ook het zwarte (nu ja…) schaap van de familie geweest. Wellicht doordat hij opgroeide toen ons land bij Frankrijk ingelijfd was. De invloed van de Franse Revolutie was groot, zeker in zijn geboortestad Brussel – waar zijn vader zich als advocaat gevestigd had. Hij ging er naar het Lycée impérial , om daarna rechten te studeren aan de Ecole de droit , die pas door Napoleon in Brussel was gesticht. In 1815 – de Franse overheersing was net vervangen door de unie met Nederland onder koning Willem I – werd hij op zijn beurt advocaat . Opmerkelijk: de eerste grote zaak waarin de jonge advocaat schitterde was de verdediging van drie geestelijken die beschuldigd werden van ongehoorzaamheid aan het regime van Willem I. Zijn bloeiende advocatenpraktijk zou van hem een zeer rijk man maken

Van orangist tot liberaal

Een belangrijke stap in zijn leven was ongetwijfeld zijn toetreden tot de vrijmetselarij, toen een echt broeinest van verlichte, liberale ideeën. In 1823 werd hij ingewijd in de Brusselse loge L’Espérance , die toen geleid werd door de prins van Oranje (de zoon van Willem I). Zijn relaties met de prins zorgde er wellicht voor dat hij kort daarop benoemd werd tot burgemeester van Watermaal-Bosvoorde, toen nog een zeer landelijke gemeente aan het Zoniënwoud. Hij werd dan ook een orangist, een aanhanger van het min of meer verlichte regime van Willem I (die, vergeten we het niet, het openbaar onderwijs sterk bevorderde). Met de revolutie van 1830 wilde hij niets te maken hebben. Als burgemeester zorgde hij ervoor dat het toen in Bosvoorde kalm bleef. Maar nadat de Belgische staat definitief gesticht was, begreep hij dat het orangisme geen toekomst had en koos hij de kant van de liberalen.

In 1833 werd hij achtbare meester (voorzitter) van de loge Les Amis Philantropes . Hij zou in totaal twintig jaar lang deze invloedrijke Brusselse loge leiden. Onder hem werden een groot aantal intellectuelen met verlichte ideeën in de loge opgenomen. Een van hen was Auguste Baron, studieprefect van het Brusselse atheneum, die plannen koesterde voor een universiteit in Brussel. Tegelijk speelde Verhaegen een belangrijke rol in de oprichting van het Grootoosten van België, de overkoepelende organisatie van vrijmetselaarsloges. Hij werd al snel de sterke man binnen het Grootoosten en uiteindelijk zelfs grootmeester ad interim . Het was zijn bedoeling de Belgische vrijmetselarij, met haar vooruitstrevend ideeëngoed, een meer politieke rol te laten spelen. Die bewuste politisering ondervond grote tegenstand van vrijmetselaars in binnen- en buitenland. Ironisch genoeg hielpen de Belgische bisschoppen hem een handje, toen die in 1837 de katholieken verboden om nog lid van een loge te zijn. Zo werd de Belgische vrijmetselarij een liberaal onderonsje. Van daaruit begon Verhaegen een echte liberale partij uit te bouwen. De eerste liberale kiesvereniging in ons land, de Brusselse Alliance , was een aanhangsel van zijn loge Les Amis Philantropes . Zelf was Verhaegen van 1836 tot 1859 liberaal volksvertegenwoordiger voor Brussel. Tweemaal (1848-1852 en 1857-1859) was hij kamervoorzitter.

Doctrinair en antiklerikaal

Hoewel de liberalen toen de politieke linkerzijde vormden, had Verhaegen zelfs voor zijn tijd geen uitgesproken progressieve ideeën. Als rijke bourgeois was hij een echte “doctrinaire” liberaal. Een overtuigd monarchist, afkerig van revoluties en geen voorstander van algemeen stemrecht. Hij kantte zich zelf tegen een leerplicht, omdat hij vreesde dat vooral de katholieke scholen daarvan zouden profiteren. Dat wil niet zeggen dat hij ongevoelig was voor de noden van de lagere klassen. Zo kantte hij zich fel tegen belastingen, die vooral de armen troffen. Als kind van de Verlichting was hij ervan overtuigd dat de vooruitgang van de mensheid uiteindelijk tot een algemene welvaart zou leiden. En de perfect tweetalige Brusselaar Verhaegen, die onder het Nederlands bewind vaak in het Nederlands had gepleit, beschouwde zichzelf als een Vlaming. Hoewel hij de voorkeur gaf aan het Frans en het normaal vond dat dit de officiële taal van België was, meende hij dat de “Vlaamse” taal rechtvaardig moest behandeld worden, ook in het onderwijs.

Evenmin was hij een atheist of een papenvreter. Hij was een antiklerikaal in de strikte betekenis van het woord: iemand die gekant is tegen de invloed van de geestelijkheid op de samenleving. Deze felle tegenstander van de katholieke partij noemde zichzelf in het openbaar een katholiek, zelfs een betere katholiek dan zijn klerikale tegenstanders. Hij ging regelmatig naar de mis, tot ontzetting van zijn vijanden. Zelf schonk hij een belangrijk bedrag voor de bouw van een kerk in Bosvoorde. Godsdienst vond hij zeer belangrijk voor de mens (de meeste liberalen en vrijmetselaars van die tijd waren op een of andere manier godsdienstig, zelfs als ze met de katholieke kerk hadden gebroken). Maar de plaats van de priester was voor hem in de kerk, niet daarbuiten. Hij hekelde fel de invloed van de kerk op de staat en de wetenschap. Die was onderdrukkend en reactionair, een hinderpaal voor de vooruitgang, zelfs nadelig voor de ware godsdienst. Het was dan ook een tijd waarin de paus de Belgische grondwettelijke vrijheden, ook de vrijheid van meningsuiting, als “dwalingen” veroordeelde.

Een vrije universiteit

De stichting van de ULB moet in dat licht gezien worden, al was het idee niet van Verhaegen afkomstig. Reeds in 1831 wees een groep intellectuelen op de voordelen van een universiteit in de hoofdstad. Daartoe behoorde de al genoemde Auguste Baron, maar ook de astronoom en statisticus Adolphe Quetelet. Kort daarop stichtten de bisschoppen in Mechelen een katholieke universiteit met de duidelijke bedoeling om de invloed terug te winnen die het katholicisme onder het Franse en het Nederlandse bewind had verloren. De regering was van plan de door Willem I gestichte rijksuniversiteit in Leuven op te doeken en de gebouwen aan de katholieke instelling te geven. Voor de antiklerikalen was dit een oorlogsverklaring. Baron, die net lid was geworden van Les Amis Philantropes , wist Verhaegen voor zijn idee te winnen en op 24 juni 1834 stelde Verhaegen het plan voor in een opvallende feestrede op het banket van zijn loge.

“Als we over het Licht van de eeuw spreken, laten we dan ook alles doen om het uit te dragen, maar ook, in de eerste plaats, het te beschermen, want onze vijanden staan klaar om het uit te doven. We moeten opkomen tegen het fanatisme, we moeten het frontaal aanvallen en het met de wortel uitroeien. Tegenover de scholen die zij wensen op te richten, moeten wij een zuiver en moreel verantwoord onderwijs stellen, waarover wij de leiding zullen houden. Moge (…) een vrije universiteit het tegenwicht vormen voor de zogenaamde katholieke universiteit.”

De rede veroorzaakte zoveel enthousiasme dat men meteen geld inzamelde voor het plan. Al op 20 november van dat jaar kon de Université Libre de Belgique plechtig opgericht werden in de gotische zaal van het stadhuis van Brussel.

Hoewel dus niet de echte “uitvinder” van de ULB, was Verhaegen vanaf het begin er de drijvende kracht. Eerst was hij gewoon lid van de raad van beheer, maar al gauw nam hij als inspecteur-administrateur de leiding van de universiteit op zich. Zeker de eerste vijftien jaar van haar bestaan had de ULB het bijzonder moeilijk op financieel vlak. De staat gaf toen geen subsidies, zelfs geen studiebeurzen. Buiten de collegegelden en wat steun van de stad Brussel moest alles van giften komen. Sommige professoren, zoals Verhaegen zelf, ontvingen geen wedde. Het is in de eerste plaats Verhaegen zelf geweest die al die jaren steeds opnieuw geldinzamelingen organiseerde, waardoor de ULB haar positie kon consolideren.

Bovenal gaf hij de univeristeit een ideaal, een mission statement dat hij samenvatte in een begrip dat hijzelf bedacht heeft. Hij lanceerde het in 1954, in een toespraak tot Leopold I:

Onder deze vrijheden, die al zo lang geweigerd of bestreden werden, is er één, de vrijheid van onderzoek, die de Universiteit van Brussel boven alle andere plaatst, daar ze het wezen van de wetenschap is. De grote waarden van de mens en de samenleving los van elk politiek en religieus gezag kunnen onderzoeken (…) peilen naar de bronnen van het ware en het goede, (…) ziedaar Sire, de rol van onze Universiteit, haar bestaansreden.

Vrij onderzoek was voor hem “de onafhankelijkheid van de menselijke rede” en hij besefte maar al te goed dat die rede in botsing kwam met religieuze dogma’s: “ Ik zeg dat het onmogelijk is om in gelijk welke faculteit hoger onderwijs te verstrekken zonder min of meer te raken aan de dogma’s van deze of gene Kerk.

Verhaegen, die ondanks alles een gelovig man was gebleven, weigerde uiteindelijk kerkelijke bijstand toen hij in 1863 zijn einde voelde naderen. Tot ontzetting van zijn eigen zoon en zijn devote schoondochter vroeg hij enkele prominente vrijmetselaars om erover te waken dat geen priester zijn sterfbed zou naderen. Hij wilde ook geen kerkelijke uitvaartdienst. Een burgerlijke begrafenis was in die tijd iets heel ongewoons, zeker voor een prominent figuur als Verhaegen.Voor de katholieken was het een ongezien schandaal. Een katholieke krant schreef dat het de bedoeling van het liberalisme was “België te laten wennen aan het schouwspel van die goddeloze sterfgevallen.” Toch liepen er duizenden mensen in de stoet mee: politici, vrijmetselaars in groot ornaat uit binnen- en buitenland, professoren, studenten en oud-studenten van de ULB, terwijl de harmonie van een socialistische (!) vrijdenkersbond voor muziek zorgde. De familie ontbrak. Die familie gaf hem een zeer sobere grafsteen, met een kruisbeeld en typische katholieke opschriften. Twintig jaar na zijn dood liet Les Amis Philantropes vlak voor het graf een standbeeld optrekken van een Verhaegen die de kentekens van de vrijmetselarij draagt. Eerder, in 1865, hadden zijn bewonderaars al een groot standbeeld van hem onthuld. Het staat nu voor het hoofdgebouw van de ULB aan de Rooseveltlaan.

Tim Trachet

Dit artikel is grotendeels gebaseerd op het zeer interessante boek van Els Witte e.a.: Pierre-Théodore Verhaegen (1796-1862), VUBPress 199